Kroonluchtige anekdotes

waar met initimi nog wel eens om wordt gelachen


Uitlaat.

Hoewel de uitkeringsperiode drie jaar blijft, is het beleid van de aankomende regering er op gericht werkelozen sneller (opnieuw) aan het werk te krijgen. Omscholing is daar één van de middelen voor. Dat vind ik niet alleen een goed idee, maar heb dat ooit van heel dichtbij meegemaakt.

Mijn vader, zoals ik eerder heb neergeschreven een op en top motorman, kon halverwege de jaren zestig geen droogbrood meer verdienen in zijn motorenzaak. Er werd massaal voor de auto gekozen. Voor hem werd het tijd om iets anders te gaan doen. De zaak werd gesloten om, na een gigantische verbouwing, opnieuw te worden geopend als wassalon. In die tijd een nieuw fenomeen in Nederland.


Omdat mijn vader ruim 25 jaar met motoren in een pure mannenwereld heeft geleefd, moest eigenlijk ook ´zijn brein´ worden verbouwd, waar toentertijd niet de mogelijkheden toe waren. Hij had het zelf maar te doen en dat is hem, ogenschijnlijk, heel goed gelukt. Ik ben er van overtuigd dat zijn Haagse gevoel voor humor daar een heel belangrijk instrument voor was. Sowieso heeft het heel wat anekdotes voortgebracht.

Heel illustratief voor gebeurtenissen rond zijn ´omscholen in de praktijk´ is wel het volgende verhaal:

Mijn vader, techneut als hij was, was in de salon bezig met technisch onderhoud van de wasmachines, terwijl een aantal vrouwen hun wasje aan het draaien waren. Eén van die dames, toen in actie direct naast de machine die door mijn vader onderhanden werd genomen, meende uitleg te moeten geven aan datgene waar ze mee bezig was. “Ik smeer altijd even de kruisjes aan,” hing zij letterlijk de vuile was bij mijn vader buiten.

Oké, met reparaties aan motoren, was hij goed bekend met een vuile uitlaat, maar met mannen onder elkaar werd daar heel anders over gesproken.

 


 

Geen kledingvoorschriften meer.

Het is absoluut geen wereldnieuws, maar slechts een gebeurtenis, wat mijn gedachten terugbrengt in de tijd. Vandaag heb ik afscheid moeten nemen van een paar fijn zittende schoenen. Er is een gat in de leren zool gevallen; pure slijtage dus. Geen nood, m’n schoenenvoorraad is hiermee niet uitgeput. En dat is anders geweest, maar dan heb ik het wel over de tijd dat we thuis nog een “zondagse kamer” hadden. Ja echt, alleen zondags in gebruik. Ten tijde dat er ook plastic hoezen over de kussens van de bank waren getrokken en er plastic plaatjes waren aangebracht onder de deurkruk van de kamerdeur. Dit alles om het netjes te houden.

Zondagochtend, juist voordat ik als jongen buiten wilde gaan spelen, ontdekte ik een gat in de zool van mijn rechter schoen. Vette pech, want je moest wel van hele goede komaf zijn, wilde je naar een ander paar schoenen kunnen uitwijken. Tegen het moraal van de tijd in, spoorde mijn moeder mij nog aan om dan maar op gympies naar buiten te gaan. Op die grote onzin ging ik natuurlijk niet in. Nee, ik ging beteuterd voor hem raam zitten. Wij woonden op de eerste etage, direct aan een halfrond pleintje. Het domein van mijn speelkameraadjes. En, ondanks dat ik heel graag beneden met mijn vriendjes ging spelen èn ondanks dat zij mij maar naar buiten bleven roepen, bleef ik achter het raam verdrietig zijn. Want op zondag met gympies op straat, dat doe je gewoon niet. Wat een verademing dat wij, buiten de bijbelbelt, tegenwoordig meestal geen kledingvoorschriften meer


Nog steeds een snik.

Gisteren waren er in het TV-programma Radar schokkende verhalen over het gebruik van anti-depressiva. Als ervaringsdeskundige had dit direct mijn belangstelling. Het is al weer een aantal jaren geleden dat ik, mede door de zesde mislukte voorhoofdsholteoperatie, een burn out kreeg. Mijn toenmalige huisarts bracht mij binnen het circuit van de geestelijke gezondheid (GGZ). Ik werd veroordeeld tot wekelijkse kringgesprekken en moest anti-depressiva slikken.

Gelukkig had ik nog voldoende geestelijke veerkracht om objectief mijzelf binnen de therapie te kunnen volgen. Meneer de psycholoog kreeg dan ook geen grip op mij. Daarvoor doorzag ik te veel zijn tactiek om mij binnen de groep aan het praten te krijgen. Rot op.... Ik bleef een gesloten boek.

De chemische werking van de anti-depressiva kreeg wel vat op mij. Mijn vrolijke kijk op het leven verdween als sneeuw voor de zon. Die pillen wisten mijn stemming volledig om te keren. Ik werd volledig labiel. Met nog steeds voldoende geestelijke veerkracht had ik echter voldoende het besef dat de GGZ juist een aanslag deed op mijn geestelijke gezondheid. Ik trad uit, dus kwam niet meer terug voor het kringgesprek.

Wat bezielde mijn, gelukkig voormalige, huisarts toch om mij tot de GGZ te veroordelen? Met de gemene anti-depressiva van dien. Gek genoeg schreef mijn dokter mij anders nooit medicijnen voor. Dit vaak tot mijn teleurstelling. “Zo’n dokter zal ongetwijfeld goed zijn in stervensbegeleiding“, was daardoor mijn cynische mening over mijn arts. Maar dan toch die anti-depressiva....

Maar goed, ik was tot mijzelf gekomen. Had de GGZ vaarwel gezegd en m’n anti-depressivapillen de WC doorgespoeld. Zienderogen knapte ik op. Mijn WC niet. Want nog steeds kan het gebeuren dat, bij het omhoog zetten van de bril, ik uit de diepte een snik hoor.

 


Te lief bedoeld

Eén van mijn toenmalige bazen heeft wel op een heel erotische wijze een
nieuwe collega ingewerkt. Een half jaar nadien ging hij, na een huwelijk
van twee weken, met haar samenwonen.


drollancering

Op het verjaardagsfeestje was natuurlijk ook de opa van de jarige, direct herkenbaar aan het dragen van ouderwetse bretels. Gaande het feest trok opa zich even op het toilet terug, wat hij tien minuten later met een riedel aan onwelvoeglijkheid voor iedereen hoorbaar verliet. Wat bleek:

Opa had aan de voorkant van zijn broek de bretels losgeknoopt, om zijn broek te laten zakken, zonder in de gaten te hebben dat de schouderbinders de pot waren ingedaald. Zijn gedraaide bolus kwam hier op terecht. Met het over zijn schouders slaan van de bretels lanceerde opa de bolus, die tegen de WC deur te pletter sloeg.

Een mooiere opstap naar “het praatje poep”
ben ik nadien niet meer tegengekomen.


Knegt boven baas

Af en toe is het lekker om zelfverheerlijking af te straffen. Zo ook destijds mijn toenmalige baas, die meende overal de beste in te zijn. Toen mijn diploma's van de SRM (Stichting Reclame & Marketing) met hem ter sprake kwamen, werd zijn baas-boven-baasdrang weer hevig aangewakkerd. "Ik was één van de eersten met diploma's van de SRM, wat toen zelfs nog SRO heette", liet hij zich weer fier gaan. "O ja, uit de tijd dat SRO stond voor Stichting Reclame Onderwijs, de periode van vóór hun Marketingopleidingen," pareerde ik met carrièretechnische roulette die vervelende adjunct-directeur Marketing.


Bij de tunnel door de mand

Met een grote tegelhandel in een klein dorpje op de Zuid-Hollandse eilanden, werd rooie Henk door zijn conservatieve buren niet vertrouwd. Daarvoor zagen zij te weinig klandizie en een te dure Mercedes voor de deur. Dat dit geen kinnesinne was, bleek op een gegeven moment, in Rotterdam, pal voor de Maastunnel. De Rotterdamse hoeren waren het weer niet eens met het gemeentebeleid en besloten tot harde actie te komen, door de Maastunnel richting zuid te blokkeren. Met een lange file auto's als gevolg. Naarmate de tijd verstreek laaiden heftige discussies op tussen de publieke actievoerders en de gedupeerde automobilisten. Nog al nadrukkelijk was rooie Henk binnen dit strijdtoneel aanwezig. Een ziedende automobilist ontwaart de rooie en stuift op 'm af. "Nou weet ik zeker dat jij het niet van die tegeltjes moet hebben", beet hij hem in een onvervalst dialect toe. "Wat klets je nou man, ik sta hier net als jij met m'n auto vast," overblufte Henk zijn eilandgenoot. En met succes, want rood van gene stak het boertje berouwvol zijn hand toe. Net op het moment dat Henkie joviaal de hand zou accepteren, kwam er een wel heel hoerig typie op hem af. "Wat doen we rooie, sluiten we de andere kant ook nog af?


Pepermuntje

De leuke meid in ons gezelschap werd door een wat slungelige knaap ter dans gevraagd, waardoor zij halverwege "Let's Twist Again" de dansvloer betrad. Nauwelijks in het juiste ritme gebracht, werd de danspas door Marc Anthony getemporiseerd. Kennelijk beschouwde de leenknaap het "You Sang To Me" als een vrijbrief om behaaglijk tegen zijn danspartner aan te kruipen, waarbij hij zijn handen royaal onder de heupen voorwaartse druk liet uitoefenen. Iets wat zijn dansdate zich slechts voor één moment liet welgevallen. Zonder demonstratief haar weerzin te tonen, fluisterde zij in zijn oor: "Mag ik een pepermuntje van je?" "Pepermuntje?, heb ik niet..." "Oh, is het een rolletje drop wat ik voel?!" Op gepaste afstand werd de dans afgemaakt, bracht de slungel ons vriendinnetje terug naar haar plaats, om de rest van de avond ver van de dansvloer te blijven


Houwme

Onder de toerders van de wielervereniging was hij erg populair. Niet zozeer door de kilometers die hij vrat, want eigenlijk fietste hij geen meter. Maar meer om het gelikte materiaal wat hij bezat en zijn gezellige praatjes. Bij de Haagse wielerspecialist Gerrit Bontekoe, was hij dan ook een graag geziene gast. Gerrit zelf, altijd in voor een lolletje, nam voor Houwme altijd alle tijd, om hem de laatste snufjes op wielergebied te tonen. Maar natuurlijk ook om één van zijn wieleranekdotes, steeds meer aangedikt, aan de man te brengen. Aan de mannen, want Gerrit verzamelde in de wielersport vele willige oren om zich heen. Steevast als Houwme, met een brede grijns van genoegen bij de wielerspecialist wegging, kreeg hij van Gerrit een gemoedelijk klapje op zijn schouder met de woorden: "Doe Bob de groeten, Houwme". Wat overigens nergens op sloeg, want Houwme zag Bob evenveel als Gerrit, alleen op de club en zo nu en dan in de wielerspeciaalzaak. Maar ja, zo was Gerrit. Voor de grap, vasthouden aan dingen, die nergens op sloegen.

Het ging Houwme steeds meer opvallen, dat overal waar hij kwam hij Houwme werd genoemd, terwijl hij Nol heette. Omdat hij op een Engelse Raleigh reed, dacht hij een Engelse nickname te hebben meegekregen, zodat hij zich daar niet verder aan stoorde. Tot het moment dat hij door Gerrit weer enthousiast met "Ha die Houwme" in het Haagse wielerwalhalla werd begroet. Nol wilde nu het fijne er van weten. "Joh Gerrit, waarom noem jij mij toch altijd Houwme?" "Nou, zo heet je toch?!" "Welnee, hoe kom je daarbij? " "Van Bob natuurlijk!" "Van Bob?" "Oh jee, natuurlijk van Bob?!" "Ik begrijp het al, de hele Haagse wielersport noemt mij Houwme, omdat Bob mij zo heeft genoemd..." "Ik geef toe, het is weer ècht een grap van Bob, want ik heet Nol, Nol Paalvast". "Paalvast", echode Gerrit, "Houwme...." Dit keer wist Gerrit het niet met een wieleranekdote te overtreffen.


Anna Jacobapolder-Zijpe


Ik heb het altijd willen worden, kapitein van het veer Anna Jacobapolder - Zijpe. Wat een wereldbaan, met ongekende vrijheid. Heel anders dan dat
Drs. P het in zijn liedje "Heen en weer" wil doen geloven. Als kapitein van de pont Anna Jacobapolder bepaal je namelijk zèlf wanneer je heen en wanneer je terug gaat. Daar was de toenmalige kapitein het levende bewijs van. Was hij op een feestje met vrienden doorgezakt, geen probleem. Zijn vrouw belde de volgende ochtend wel even naar Hilversum. Ook na de veelvuldige familiefeestjes van de kapitein, die kennelijk uit een heel groot gezin kwam, had hij niet de puf om op de boot te stappen. Geen probleem, zijn vrouw belde wel even naar Hilversum. Was het zo'n schrale herfstachtige dag, dat je liever je in bed nog eens lekker wilde omdraaien. Geen probleem, zijn vrouw belde wel even naar Hilversum. Stond op een dag de zon al vroeg aan de strak blauwe hemel, zodat je eens lekker op het strand wilde doorluieren. Geen probleem, zijn vrouw belde wel even naar Hilversum. 's-Ochtends werden de radioprogramma's er, als vanzelfsprekend, voor onderbroken, met de mededeling: "Het veer Anna Jacobapolder-Zijpe is vandaag uit de vaart genomen". Wat een wereldbaan!


Zijn gok was van God los.

Het moet zo gelopen zijn, zoals het in mijn gedachte op kwam. In het Casino van Monaco stonden wij geboeid aan de speeltafel te kijken, hoe er vermogens werden verspeeld, met het laten ronddartelen van een balletje in een ronde, becijferde, zwarte bak. Plots werden wij redelijk ruw opzij geduwd, door een hijgende man van zo'n vijfentwintig jaar oud. Net op het moment dat de croupier zijn gevleugelde woorden wilde uitspreken, vloog er een stapeltje bankbiljetten de tafel op, die maar net voor het woord "Rein…" op een zwart vak belandde. Nog voor dat hiervoor spanning kon worden opgebouwd, lag het balletje stil op een rood cijfer en werden de bankbiljetten weg geharkt. De verliezer van het stapeltje bankbiljetten, had naar mijn idee, van zijn baas de dagopbrengst meegekregen, van de goed lopende herenmodezaak, hartje Monaco. "Jean Pierre doe mij een lol, breng jij vast de dagomzet naar de bank, dan kunnen we vanavond lekker vroeg het weekend in." Jean Pierre bleek echter niet stevig genoeg in zijn schoenen te staan, om dit fikse bedrag linea recta naar de Banque Nationale de Paris te brengen. Dromend, bijna in trance, kwam hij niet van de gedachte los, dat zijn fifty-fifty kans in het grote spelershol van Monaco, door zijn orthodox katholieke levenswandel kansrijker moest zijn dan van zijn Goddeloze baas. Deze overtuiging bracht hem hijgend in het casino, aan de speeltafel, op het moment van "Rien ne va plus." Zal hij die zondag het kerkzakje hebben leeggeroofd?


Kinderlogica.

Zoals dat destijds regelmatig voor kwam, was m'n maatje Gé met zijn gezin bij ons op bezoek. Traditioneel wisselden wij ons lol maken af met serieuze momenten, die dan eigenlijk altijd over onze ervaringen binnen ons vak gingen. Zo ook die ene zaterdag. Franca, zo'n zes jaartjes oud, had naast mij op de bank plaats genomen, terwijl ik met Gé bepaalde mediamutaties door nam. "Wacht maar, ik heb op mijn kamer daarover nog wat informatie liggen", sprong ik van de bank op, om mij richting mijn werkkamer te begeven. Ik kon niet zo snel zijn, of Franca stond naast mij, waarbij zij haar hand in de mijne had gefrummeld. "Mag ik mee naar jouw kamer," vroeg zij nog. Op de drempel van mijn werkkamer, liet Franca mijn hand los en vloog terug naar de kamer: "Uhhhhh, hij heeft niet eens een bed in z'n eigen kamer…"


dodelijke reactie

Mijn neef, in zijn eigen winkel vaak getergd door het winkelende publiek, kon het niet nalaten om ludiek te kennen te geven dat hij tijdens zijn eigen shoppen niet met de verkoper tot een vergelijk zou komen. Zoals het moment dat hij die chique herenmodezaak binnenstapte en de verkoper vroeg: "Wat moet dat kostuum nou nog kosten jôh?" De verkoper, in deze fase van de handelstransactie nog enthousiast genoeg om de kleinerende toon te negeren, noemde heel voorkomend de prijs: "vierhonderdenvijftig euro mijnheer". Waarop mijn neef veelzeggend reageerde: "O ja, toch nog?!


oververhit

Dat de afstand tussen Weert en Deventer toch niet de meest makkelijke afstand is om te overbruggen, ervaarde mijn zussie toen de afgelopen winter haar CV-ketel uitviel. Toen hiervoor de diagnose was vastgesteld, kwam de CV-monteur de reparatie verrichten. Gaande zijn klus bleek hem dat één onderdeel niet door de fabriek was aangeleverd, waardoor er nog enkele dagen doorgekleumd moest worden. Mijn zus hels, belde in die gemoedstoestand de fabriek. "U had beloofd dat wij weer binnen drie dagen er warmpjes bij zouden zitten, maar nu moeten we nog drie dagen wachten". Zonder daarover een verontschuldiging uit te spreken, opperde de stem aan de telefoon: "Dat dit ook wel eens aan de leeftijd van de CV zou kunnen liggen." "Welnee man, de CV zou toch gewoon gerepareerd worden", diende m'n zus heftig van repliek. "Hoe oud is uw ketel dan?", vroeg de stem door. "Twaalf jaar", kreeg hij ten antwoord in een intonatie van "nou lul je niet meer…". "Nou dan…!!!", was zijn diep beledigende antwoord, met een onvervalst oosters accent. Tot haar tenen gegriefd begreep mijn zus dat er geen klacht viel in te dienen. "O ja, mevrouw, u bent door onze service afdeling onbeschoft te woord gestaan? Wat zei men u precies?" "Uhh…: Nou dan…"?!


Mijn bijdrage van 80 DM aan de oorlogsslachtoffers

Kennelijk is het politiecorps van Nederland tevreden met het resultaat van 15% opgeloste zaken, waar dit percentage in het buitenland vele malen hoger ligt. Mogelijk gedreven door deze zelfgenoegzaamheid, is het politiecorps van Nederland met de ons omringende landen overeengekomen dat zij er de tijd voor nemen, om de staatsburgers van Nederland te achtervolgen met bekeuringen, die zij in het buitenland hebben opgelopen. Tijd zat, niet waar.

Dat doet mij denken aan het moment van vóór deze politieovereenkomst. In Duitsland werd ik met een lichtflits er op gewezen dat ik de maximale snelheid had oveschreden en dat mij hiervoor een geldboete stond te wachten. Maanden nadien viel er dan ook een Duitse bekeuring van 80 Duitse Marken op mijn deurmat. Deze boete betalen, zag ik als hoogverraad ten opzichte van mijn opa, die in de tweede wereldoorlog van honger was gestorven. Nooit heeft de Nederlandse politie toen de Duitsers bestraft voor deze misdaad.
Vanzelfsprekend was ik dan ook niet voornemens om de Duitsers te betalen, voor deze simpele overtreding, terwijl zij straffeloos mijn opa de dood in hebben gejaagd. Door voor te doen dat ik de Duitse taal totaal niet machtig was heb ik, met het terugsturen van de bekeuring, mij van hun bekeuring ontdaan. Ik schreef hen in de Nederlandse taal: "Mijne Heren, Bij mijn weten heb ik in Duitsland nooit aan een loterij meegedaan, dus begrijp ik niet goed een prijs van 80 Duitse Marken te hebben gewonnen. Ik zie dan ook van deze prijs af. Om deze prijs toch een bestemming te geven, verzoek ik u dit bedrag te schenken aan een fonds voor oorlogsslachtoffers. Hoogachtend" Nooit heb ik hier nog een reactie op gehad. Graag gedaan opa!


Knock Out op het Hobbemaplein

Bij de motorenzaak op de Delftselaan in Den Haag, werden niet alleen motorfietsen, bromfietsen, scooters en fietsen gerepareerd, maar ook een aantal invalidenwagens. Voornamelijk gemotoriseerde vervoermiddelen voor gehandicapten. Maar er was één invalidenwagen bij, merk Lely, die heel bijzonder zonder hulpmotor werd aangedreven. Twee hefbomen werkten als handtrappers, waarmee je behoorlijk vaart kon maken. Het principe van een zogenaamde doortrapper.

Nadat tijdens een onderhoudsbeurt de speciale ketting was vervangen, ging de monteur met de Lely een proefritje in de omgeving maken. Daarbij bleef hij wel héél lang weg. Zo lang dat een collega-monteur op een motorfiets polshoogte ging nemen. Nog geen kilometer verder, op het allerdrukste punt van Den Haag waar de grootste markt van heel Europa is, trof hij zijn collega aan. Ogenschijnlijk slapend in het invalidenwagentje, midden op het Hobbemaplein.

Het verkeer werd even stilgelegd, om samen met omstanders het karretje naar de kant van de weg te brengen. Net op het moment dat de monteur behoorlijk dizzy zijn ogen open deed. Wat bleek nu, wat onvoorzichtig had hij een vrij scherpe bocht genomen, waardoor hij één hefboom vol onder z'n kin kreeg en zichzelf zo buiten westen had geslagen.


De herrezen voorzitter

Na een hartinfarct te hebben gehad, ging mijn vader wekelijks aangepast sporten. Met kornuiten, zo'n beetje van dezelfde leeftijd en met natuurlijk vergelijkbaar fysieke, problemen. Door week in week uit met volleybal elkaar het balletje toe te spelen, ontstond er een hechte vriendenclub. Naar het scheen zaten er aan deze sportactiviteiten ook wat organisatorische kanten, zodat er voor deze revalidatieclub een bestuur gekozen moest worden. Hiervoor had de voorzitter zich als een waar leider beschikbaar gesteld. Mijn vader vond het voldoende om met een van de bestuursleden, de penning- meester, bevriend te zijn. Op een dag, toen mijn vader de sportzaal betrad, heerste er een bedrukte stemming. Joop, één van de mannen was overleden. "Bob, doe mij een plezier en ga mee naar de begrafenis," vroeg de penningmeester mijn vader, welk verzoek een paar dagen nadien, met rust-zacht-bloemen van de club, werd ingewilligd. De eerstvolgende clubavond werd mijn vader allerhartelijkst door de voorzitter begroet. "Gaat het goed met je Bob? " "Met mij wel, maar jou hebben wij afgelopen woensdag begraven", respondeerde mijn vader nauwelijks van de schrik bekomen. Hij bleek echter over de verkeerde Joop te hebben getreurd.


Ha lekker, het nieuwe dressoir

Als advertentievertegenwoordiger van het huis-aan-huisblad De Posthoorn, had hij zijn rayon in Den Haag West, waardoor hij ook regelmatig de motorenzaak van mijn vader bezocht. Doordat hun interesses redelijk parallel liepen, kwam Roeleveld veel meer langs, dan zakelijk noodzakelijk was. De band die daardoor ontstond verplaatste zich naar ons privé-leven. Zo kwam het dat ons gezin werd uitgenodigd om een hele dag op de Kaag en omgeving mee te varen, in een kapitale speedboot, waarvan je heden ten dage zou denken, dat deze door speedopbrengst zou zijn betaald. Zo was Roeleveld niet. Die verdiende altijd heel netjes zijn brood. Maar ook weer niet zoveel, dat hij daarnaast er een speedboot op na kon houden. Eenmaal ook eens bij hem thuis te zijn geweest, wisten we het. De speedboot had hij er niet naast. Maar in plaats van. Een blind paard kon in zijn huis geen schade doen, wat geen van de Roeleveldjes maar ook iets deerde. Roeleveld legde ons zijn levenswijsheid uit: "Wij vinden alleen onze boot en hooizolder op de Kaag, waar wij zomers bivakkeren, maar belangrijk. Ik heb trouwens nooit iemand horen zeggen: Hé lekker, ik ga dit weekend heerlijk naar mijn nieuwe dressoir zitten kijken". Wij zeggen wel, hé weer lekker naar de boot". Veel hebben wij opgestoken van de levenswijsheid van deze levensgenieter.


Het loze vissertje

Met onze lesloze dansvereniging The Dancing Shoes, maakten we elk jaar een uitstapje met een touringcar, waarvoor Gerard zich ook had ingeschreven. Tot onze grote verbazing overigens, want Gerard was Jehova Getuige en mocht van zijn moeder helemaal niet met ons optrekken. Die zondag was iedereen dan ook in de bus gestapt, behalve Gerard. Zou zijn moeder dan toch hebben begrepen, dat hij naar The Dacing Shoes zou gaan?! We waren inmiddels van de Soestdijksekade vertrokken, richting Rijswijk, waar de tweede ploeg zou worden opgepikt. "Stop, stop, daar komt Gerard" en ja hoor achter onze bus aan reed er een brommerfietser, wild zwaaiend, met vistuig om z'n nek. De bus stopte, Gerard stalde z'n brom tegen een boom en kwam breed lachend op ons af. "Wat heb jij nou voor hengels bij je, we gaan toch niet vissen?", was natuurlijk de eerste vraag die hem werd gesteld. "Ach ik mocht natuurlijk van mijn moeder weer niet naar The Dancing Shoes, daarom heb ik m'n hengel gepakt en gezegd dat ik ging vissen". Onder buldergelach stapte hij de bus in en kwam naast Netty zitten, ons lelijkste ledenmeisje dat moeilijk anschluss met de anderen had. Het werd weer een dolle dag. Trouwens ook voor Netty, die zich prima met Gerard vermaakte. Als wij een consumptieve stop maakten, zochten zij beiden de luwte op. Die avond, toen wij ons dagje uit met een dansparty afsloten, waren Netty en Gerard niet van de dansvloer af te slaan. Zo werd het ons spraakmakend liefdespaar van de dag. Later zelfs van het jaar, toen wij vernamen dat Netty zwanger zou zijn. Gerard, die dacht dat het bij dat ene amoureuze dagje zou blijven, kreeg de schrik van z'n leven. Want zo leuk vond hij Netty nu ook weer niet. Toch droeg hij, als Jehova Getuige, manmoedig zijn lot en trouwde Netty. Maanden nadien bleek Gerard bot te hebben gevangen. Nelly bleek namelijk nooit zwanger te zijn geweest. Zij wilde zo alleen maar het loze vissertje aan de haak slaan. Voor haar een goede vangst, die door de wetten van Jehova Getuigen niet ongedaan kon worden gemaakt. Omwille van zijn vrijheid, is Gerard toen écht van het vissen gaan houden.


Dikkeschey als act aan Sonneveld door verkocht.

Ene heer Dikkeschey was een corpulent, beetje vreemd baasje, die altijd op je lachspieren werkte. Was het niet door z'n motoriek, dan was het wel door z'n overdreven, breedvoerige verhalen.Weer net van vakantie terug, verhaalde hij ooit tot in de details over zijn fantastische vakantieland, Spanje. Hoe geweldig hij vanuit z'n hotelkamer uitkeek op een idyllisch vissershaventje. Waar hij dagelijks zo genoot van een kouwe klets, op het zonovergoten terras en waar hij ook nog heel uitvoerig met Leen Jongewaard had gesproken. "Ja hoooor, Dikkeschey".

Dat heer Dikkeschey geen woord te veel had gezegd, werd die winter door Wim Sonneveld bevestigd. In één van zijn beroemde One Man Show's parodieerde de grote Sonneveld, met een kussen onder z'n jas, een corpulent mannetje. Gesitueerd in een overvolle tram, staandend tegen over elkaar, vertelt heer Dikkeschij volledig in zijn trant, over de heerlijke vakantie in Spanje. In een hotel met fraai uitzicht op het idyllisch vissershaventje, waar hij op het zonovergoten terras dagelijks zijn kouwe klets dronk. Dikkeschij, zoals hij steevast werd genoemd, werd op komische wijze door Sonneveld herkenbaar neergezet. Deze act, trouwens zijn hele One Man Show, was weer een doorslaand succes. Zo overigens niet in huize Dikkeschey ervaren, waar de vrouw des huizes kwaad de kamer verliet. Het is oppassen geblazen,als een bekende Nederlander jou leuk gaat vinden.


Zuiderburen

Getuige het laatste Nationale Dictee, blijken de Belgen toch weer slimmer dan de Nederlanders te zijn, wat mij deed denken aan een voorval, waarbij het tegendeel weer werd bewezen. Tijdens speedwaywedstrijden voor landenteams in het Belgische Genk, werd het Nederlandse team door de speaker elke heat met enthousiasme onthaald. Daarbij wist hij echter niet te verhullen, dat hij zijn opleiding tot microfonist, in Nederland had gevolgd. Elke keer als het Nederlandse team de baan op kwam, vroeg de speaker steevast aan het publiek om “een warm applaus voor hun sympathieke zuiderburen”. Aan de brede glimlach waren daarbij de Nederlanders van de Belgen te onderscheiden


"Zeg jij het maar"

Jack was één van de mannen die, min of meer ongevraagd, zich aansloot bij de gezellige nazitters van onze wekelijkse sportprestatie. Dorstig van het sporten, maar ook door elkaar's drankmoyenne aangemoedigd, werd het ene na het andere rondje ons voorgeschoteld. "Geef hier nog eens wat van mij", was binnen onze vriendenkring een steeds terugkerende tekst. Zonder dat er op werd gelet, leverde een ieder wel zo zijn bijdrage aan ons drankgelach. Bijna iedereen, want het viel wél op dat Jack bij het leeg raken van de glazen, steeds weer opnieuw het toilet moest opzoeken. Omdat wij er van overtuigd waren, dat hier geen incontinentie debet aan was, maar eerder zijn sobere uitgavenpatroon, hadden we ons voorgenomen Jack hier eens op te pakken. De gelegenheid deed zich voor, op het moment dat hij zijn blaas op het moment suprème weer eens had leeg geperst. Terug aan de bar vroeg ik het hem joviaal: "Jack zeg jij het, of moet ik het zeggen?" "Zeg jij het maar", struikelde Jack over z'n woorden, waarbij hij niet wist te verhullen hoe opgelucht ie was. "Toos, geef ons hier wat van Jack te drinken" "Nee wacht even…", protesteerde Jack, "jij zou het toch zeggen…" "Nou ik zeg het toch, gééf hier wat van Jack te drinken…" De uitnemer begreep nu niet meer onder dit rondje uit te kunnen komen en liet het hoongelach, inclusief het "Proost Jack!", zich gelaten welgevallen. Na die tijd werd er rond de bar van het sportcentrum nimmer iets van Jack vernomen.


Vooroordeel bevestigd

Voor speciale sportfietsen had mijn vader een goeie framebouwer in België gevonden, waarmee hij zaken zou gaan doen. Om voorzichtig de Nederlandse markt te verkennen, waren er twee frames besteld, die in Nederland als prototype zouden worden afgemonteerd. Zin in een dagtrip naar België, bood ik mijn vader aan samen de frames op te gaan halen. Omdat we even heen en weer wilden gaan, besloten we onderweg in zo'n fameuze, Belgische frietkot even een patatje te eten. Bij gebrek aan Belgische Franken werden de frames in Nederlandse guldens betaald. Net voordat we het pand van de framebouwer wilden verlaten, sprak mijn vader de legendarische tekst: "Ach, wilt u voor ons vijf gulden in Belgische Franken omwisselen, zodat we onderweg nog even kunnen eten…" Met een staal gezicht werd aan dit verzoek vriendelijk voldaan. Achteraf geloof ik, dat wij in dit Bourgondische land hadden moeten zeggen, dat we onderweg slechts een zakje patatje wilden nuttigen.


Niet lullig bedoeld
(ingezonden anekdote)

De uitbater van het familierestaurant had zich in de praktijk de Duitse en Engelse taal enigszins eigen gemaakt, waardoor hij in het toeristische plaatsje zich onder zijn gasten redelijk verstaanbaar wist te maken. Zo wist hij niet alleen zijn Menukaart verbaal te ondertitelen, maar kon hij ook aan de tafels een leuk sociaal praatje maken. Vooral over zijn Hollandse specialiteiten, die hij keer op keer zijn toeristen aanprees, had hij dan het hoogste woord. Zo ook bij dat groepje Engelsen, die graag eens een kaassoep wilden uitproberen, om vervolgens zich aan de Hollandse mosselen te goed te doen. Daarbij was het de gastheer geen enkele moeite om, met een lege schelp in de hand, te tonen hoe je de mosseltjes uit de schelp dient te verorberen. De Engelsen raakten in extase. Helemaal te gek werd het, toen zij de local specialty's bekroond zagen, met een kopje koffie en een onvervalst glaasje Berenburg. "Absolut fantastic", werd het diner door de Engelsen geclassificeerd, waarbij zij rekening hielden met het beperkte vocabulaire van hun gastheer. Na nog een paar glaasjes Berenburg vonden de lyrische Engelsen het onvoldoende, om de complimenten alleen bij de baas zélf achter te laten. "De keuken" moest, natuurlijk onder het genot van een drankje, persoonlijk de welgemeende complimenten in ontvangst komen nemen. Enigszins met handen en voeten werd dit de gerant kenbaar gemaakt, die terstond zijn keukenpersoneel verzocht naar de tafel van de Engelsen te komen. Kok en koksmaatje moesten echter eerst hun laatste hand leggen aan een gerecht voor de gasten aan tafel vier. Bij de zoveelste Berenburger werd de baas wat onrustig, doordat zijn koksduo nog steeds geen acte de présence had gegeven. Met z'n "self made English " viel hij steeds meer in herhalingen over zijn oer Hollandse specialiteiten. Maar dan toch, eindelijk, de keukendeur ging open en twee koks traden het Engelse tafeltje tegemoet. "Ahaaa, there they are, my two koks", sprak de uitbater opgelucht. De Engelsen lagen in een deuk en de koks hebben zich nooit erger voor Jan L. voelen staan.


Bijna 'n druppel op een gloeiende plaat

In de jaren dat er nog niemand van opkeek, had mijn vader hartje winter zijn speedwaymotor naar boven gehaald, om er in het zijkamertje aan te kunnen sleutelen. Juist op een avond, dat een vriend een literfles geleende benzine kwam terugbrengen. Omdat het net koffietijd was, werd de benzine argeloos in het kamertje neergezet, net op een plaats waaronder de benedenburen de kolenhaard lieten loeien. Nog geen half uur later,kwam de brandweer met loeiende sirenes aangereden, waarna de brandweerlui bij de benedenburen binnenvlogen. De tuindeuren opende zich en een brandende haard werd naar buiten gekieperd. De kapot gesprongen fles was er debet aan, dat beneden de benzinedruppels aan het plafond hingen en de buurtjes in de vrieskou hun kachel werd ontnomen. Hartverwarmend was hun begrip, voor de levensgevaarlijke situatie die zich boven hun hoofd had afgespeeld.


De liftwind.

Mijn oom moest zich naar de derde verdieping van het hoge gebouw begeven, waarvoor hij als enige de lift betrad. Op de 2e etage stapte er een vrolijk, frisse meid de lift binnen, die voor het knopje 14 koos. Net voordat de liftdeuren op de derde opengingen, ontsnapte bij mijn oom een onhoorbaar, enigszins natte wind. Eenmaal weer thuis gekomen, verschoonde hij zich, terwijl hij dat lieve liftmeisje niet uit zijn gedachten kon bannen. Statistisch gesproken is het namelijk onwaarschijnlijk dat zij tot aan de veertiende verdieping alleen in de lift zou blijven staan. Dat arme kind. Want, leg dan maar eens uit dat jij jouw collega's niet een poepje wilde laten ruiken.


Afgewezen, maar proost!

Het was ten tijde van personeelsschaarste, dat mijn collega op alles solliciteerde, wat maar ver van eigen woonplaats was. Dat kon voor KNO-arts zijn te Groningen, of voor technisch directeur in Maastricht. Door over zijn opleidingen vaag te blijven. werd hij altijd voor een sollicitatiegesprek uitgenodigd. In de baas z'n tijd en met de auto van de zaak, ging hij dan op gesprek. Al snel bleek dan dat hij voor de vacature niet de vereiste papieren had en werd hij afgewezen. Niet, zonder dat hem de reiskosten werden uitbetaald. Deze bizarre bijverdienste had hij hard nodig, om aan het snakken naar een alcoholische versnapering toe te kunnen geven.


De laatste Tango.

Tijdens de begrafenis van, de veel te jong gestorven neef, viel het op dat er bovengemiddeld veel fraai uitgedoste vrouwen aanwezig waren, die met een roos in de hand de plechtigheid bijwoonden. Bijzonder was het, hoe zij stuk voor stuk, met een denkbeeldige partner wegzwijmelden, bij het horen van de favoriete Tangomuziek van de overledene. Nog fraaier werd de vertoning bij het graf, toen zij één voor één naar voren kwamen om prevelend, vol van verdriet, het roosje bij de kist neer te leggen. " It takes two to Tango" zal voor mijn neef geen loos begrip zijn geweest.


Geen krant.

Na een dag hard werken, ging ik in een jolige bui nog even naar de krant, waar de meeste van mijn collega's ook aanwezig waren. Wat dan weer garant stond voor een lollig uurtje. Graptechnisch gesproken, oversteeg de ene grap de andere en dat maakt melig. Iets wat niet geheel zonder gevolgen bleef. De telefoon ging en ik nam op. "Meneer, nou heb ik wéér m'n krant vandaag niet gekregen", sprak een zeurderige stem mij toe, in de veronderstelling bij de afdeling lezersservice terecht te zijn gekomen. "Mevrouw, heb ik u ooit gebeld toen ik mijn krant niet kreeg?" "Nee". "Nou val mij dan ook niet lastig..." Het valt te vrezen dat er toen een abonnee verloren is gegaan.


Het onwillige eitje

Met de regelmaat van de klok kwam mijn opa vanuit Haarlem met zijn simplex-eitje (een soort solex)naar Den Haag snorren, waarmee hij zo'n twee liter benzine verstookte. Zo niet die ene keer, toen hij veel zuiniger had gereden. Z'n eitje wilde maar niet aanslaan, zodat opa tot aan de Haarlemse stadsgrens het motortje al fietsend enige rust gaf, om daarna het torretje opnieuw aan de praat proberen te krijgen. Wederom zonder resultaat. Zo fietste opa het ene moment met het motortje in de rust stand, om 'm het andere moment weer aan te willen jagen. Juist dat starten, waarbij de motor op de band werd gezet, was een uiterst vermoeiende bezigheid. Het eitje bleef het vertikken om aan te slaan. Eénmaal fietsend Den Haag binnen gereden, werd hij door een leuk jong ding aangehouden. "Ach meneer, wilt u even naar m'n brommer kijken. Hij wil niet starten." Met ruim 50 loodzware kilometers in de benen, heeft alleen God hem die dag horen brommen.


IJskoffie.

Als het nu al anders is, was er ooit een tijd dat bazen baas werden, door maar lang genoeg op dezelfde plaats te blijven zitten. Van hen zijn er ongetwijfeld veel anekdotes te vertellen. Zoals van die baas, die met zijn eenvoudige jongensnaam, zichzelf interessanter poogde te maken, door een initiaal tussen voor- en achternaam te voegen. Kennelijk geïnspireerd door Willem O. Duys. Aan alles was merkbaar dat hij, in zijn verworven positie, behoorlijk op z'n tenen moest lopen. Erger werd het nog toen de monopolistische positie van zijn commerciële onderneming terrein verloor. Klantgericht denken had binnen zijn hersenpan nog geen richting gekregen, wat overduidelijk werd toen het hem gepermitteerd was de wensen van de klant legitiem af te wijzen. "Lekker toch, om je weer eens ouderwets arrogant tegenover de klant te kunnen opstellen", verraadde zijn uitspraak de hunkering naar het verleden. Ook viel hem geen enkel gevoel voor humor te verwijten, wat waarschijnlijk door zijn wantrouwen jegens alles en iedereen, volledig was geblokkeerd. Staande op zijn strepen, heeft hij ooit een van z'n medewerkers, ondergeschikte zoals hij dat zag, ter verantwoording "binnen geroepen". Terwijl de grap o zo leuk was en volledig door het baasje zelf was uitgelokt.

The Boss had namelijk de vervelende gewoonte, zijn directe medewerkers eens per jaar op de koffie uit te nodigen, om gezamenlijk een beetje zijn verjaardag te vieren. Iets waaraan iedereen een godsgruwelijke hekel had, waarmee tegelijk de spontaniteit van zo'n sessie minutieus is beschreven. Die bewuste keer had zijn drang naar orginaliteit elke vorm van logica overruled, waardoor het kon gebeuren dat de verjaarstraktatie dit keer ijstaart bij de koffie was. Mede door het gemis aan spontaniteit en ondanks de bloedhete dag, was slechts een enkeling bereid 's-ochtends om 10.00 uur de ijstraktatie tot zich te nemen. Van de twee dozen ijstaart bleef dus veel te veel over, wat het volgende advies aan zijn secretaresse ontlokte: "Je mag die dozen wel vast in z'n wagen zetten, anders vergeet hij die traktatie nog mee naar huis te nemen". Met een dodelijke blik en een latere uiting van ongenoegen, werd te kennen gegeven dat de grappige opmerking niet werd gewaardeerd. Deze ervaring zal ik mij altijd heugen.


doktersbaan

De ziekenhuisgang is ruim tweemeter breed. Breder dan de harde vloerbedekking kennelijk kon worden gelegd. Een strook van circa 40 centimeter breedte, in contrasterende kleur, was de oplossing voor de totale bedekking. In de tientallen meters lange gang, met alle zijgangen, was deze strook als een soort busbaan aangebracht. Of liever gezegd, als een soort doktersbaan, ten minste, dat deed een arts mij geloven.

Ik had namelijk plaats genomen in deze lange ziekenhuisgang, wachtende op de dingen die gingen komen. Aan de verlossende woorden: "Komt u maar, mijnheer Kroon", ging het passeren van een arts vooraf. Hoewel hij niet de enige was die aan mij voorbij kwam, imponeerde zijn passage mij. Bijna acrobatisch maakte hij uitsluitend gebruik van de 40 centimeter brede vluchtstrook.. Kaarsrecht lopend, dicht tegen de muur, zonder deze aan te raken. Met een vanzelfsprekendheid, alsof de doktersbaan al jaren aan de busbaan was voorafgegaan.