Onze blufblaffer.

Veertien jaar geleden kwam je als pup in ons gezin, onze kinderen waren toen anderhalf en elf jaar. Een klein zwart kruisinkje tussen een Labrador en Mechelse Herder. Met een fronsend voorhoofd keek je de grote wereld in en ontpopte je als een ware speelkameraad voor de kinderen en een gezellige, ondeugende huisgenoot voor ons. In je nog niet zindelijke periode hebben we er ons vaak over verbaasd hoeveel ontlasting je kon produceren. Je sliep toen nog in de garage in een oud kinderledikant en iedere morgen zag onze garage eruit als een weiland, waar een kudde koeien in had gelopen. Toen we je eenmaal zindelijk hadden, heb je niets meer in huis gedaan en wachtte je keurig op je uitlaatbeurt. Ook deed je het nooit op straat, maar wachtte altijd keurig tot je bij de bosjes was.

Rennen in het bos werd je grote passie, luisteren [thuis] deed je ook voorbeeldig, maar in het bos was het een heel ander verhaal. Het eerste uur bleef je altijd trouw in onze buurt, tot het moment dat je merkte dat wij huiswaarts wilde keren. Met je neus over de grond, mij eens lachend aankijkend, peerde je er steevast tussenuit en kwam pas terug als je was uitgedold. Menigmaal ben ik zonder jou naar huis gegaan, om vervolgens na een uur weer terug te gaan, om je op te halen. Vaak lag je dan op de plaats waar de auto had gestaan op mij te wachten. Het gebeurde echter ook dat je in het asiel belande, waar ik je dan op kon halen. Je was daar al zo bekend, dat zij ons zelf wel belde om te zeggen dat je weer door deze of gene was gebracht. Je groeide uit tot een imposante grootte en had een zeer macho gedrag. Dit was echter schone schijn, want voor een tekkel ging je nog op je rug. In het bos rende je een keer achter een haas aan, welke niet het hazenpad koos, maar de rollen omdraaide en zelf de achtervolging inzette. Met het schuim op je bek kwam je op ons afgerend, om je vervolgens achter ons te verschansen.

Sindsdien hebben wij geen Pasen meer gevierd, om jou niet van je stuk te brengen. Vliegtuigen tolereerde je niet boven onze tuin, je blafte ze als het ware uit de lucht. Televisie kijken deed je ook graag, menigmaal heb je jouw bek bezeerd aan de beeldbuis, wanneer een hond of ander naar jouw idee bedreigend diersoort er op verscheen. Op de bank mocht je niet, toch kon je het nooit laten wanneer een lid van ons gezin, om wat voor reden dan ook, op de bank zat te lachen, om ernaast te gaan zitten, je kont op de bank, poten op de grond mee te schateren.

Wanneer wij in de tuin zaten lag je er altijd bij en nam een zeer beschermende houding aan. Soms blufblafte je maar wat om ons te laten merken dat ons, met jou in de buurt, niets kon gebeuren. Rock en Rollen heb ik van jou geleerd tijdens het uitlaten. Wanneer ik je aangelijnd had en er kwam een ander hond aan, trok je me zowat over de straat om de ander ernstig te waarschuwen, vooral niet dichterbij te komen. Het laatste half jaar werd je ineens oud. Uitlaten beperkte zich tot vier keer een kwartiertje per dag. Soms maakte je nog lol, soms liep je met je staart halfstok achter me aan te sjokken. Het pup gedrag kwam terug en wederom was je niet zindelijk. Je schaamde je als je de boel weer niet op had kunnen houden. Drie tot vier keer per dag bevuilde je het huis met een weemoedige blik mij altijd waarschuwend. Menigmaal heb ik me afgevraagd hoelang dit nog vol te houden, maar altijd overheerste de liefde die jij ons gaf.

Vorige week werd het anders. Je viel tijdens het uitlaten en kon geruime tijd niet meer opkomen. Met omgeklapte achterpoten hebben we je toch thuis gekregen, halfstok kwispelend, met een het valt wel mee blik in je ogen. De ander dag werd je aangevallen door een hond, dit herhaalde zich de daaropvolgende dag. Mijn grote trotse Casper, die nog nooit een vlieg kwaad had gedaan, behalve bluffen. Intens verdrietig zag ik deze achteruitgang aan, hetgeen een onhonds bestaan werd.

De daarop volgende dag vond ik je s'-morgens in je ontlasting. Dat was het moment waarop wij als gezin besloten dat dit voor jou niet meer kon. Met z´n vieren hebben we afscheid van je moeten nemen, ondersteund door de dierenarts.Op humane manier, thuis omringd door ieder die jou lief was, kreeg jij je laatste injectie. Met je kop in mijn handen heb ik je langzaam naar de hondenhemel zien vertrekken. Intens verdrietig heeft je grote mensenbroer je naar de auto gedragen, terwijl je kleine mensenbroer zijn tranen de vrije loop liet. Hadden we niet….? Nog menigmaal maakt baasje aanstalten om je 's-avonds uit te laten. Lieve hondenvriend, we missen je. Inmiddels ben je vast met open poten in de hondenhemel ontvangen. Wij moeten je loslaten, maar vergeten doen wij je nooit.

Jouw vrouwtje