|
Een extra deken voor de kok. Met Valentijnsdag in het vooruitzicht, heb ik mijn herinneringen gescand
op bijzondere voorvallen. Dit keer voornamelijk met schlemielen in de
hoofdrol. Wat ik overigens ook eens zelf had kunnen zijn. Met een groepje
maten zat ik gezellig aan de bar van een Rotterdamse kroeg een biertje
te drinken, toen er vier mannen binnenkwamen, die overduidelijk lid waren
van de Hell Angels. Rouwdouwerig namen ook zij plaats aan de bar en pakten
in forse moyenne het ene na het andere biertje, waarbij zij steeds luidruchtiger
werden. Zo nu en dan betrokken zij hun bargenoten in het gesprek, wat
natuurlijk voornamelijk ging over drank, vrouwen en motoren. Dikke Nelis
stond pal naast mij en bleef mijn kant uit oreren, hoe lekker dat motorrijden
is. Woorden die hij kracht bijzette door een ongelooflijk harde, ongegeneerde,
vooral onsmakelijke boer te laten, waarna hij triomfantelijk om zich heen
keek, om vervolgens verder te gaan met zijn adoratie voor het motorrijden.
Nu van man tot man, waarbij ik ongewild de toehoorder was. Op zijn vraag
of ik ook een motorrijbewijs had, kon ik bevestigend antwoorden.
Het is ook voorgekomen, dat aan de andere kant van de bar, een leuk vrouwtje
van het type Maggie Macneal, zich met verve de slachtofferrol in werkte.
Dit terwijl haar vriend, een boom van een kastelein, een ander deel van
de bar bediende. Maggie had uit fragmenten van het gesprek, wat ik met
m'n stapmaatje had, begrepen dat wij bij de krant werken. "Aha,
jullie zijn journalisten", "Welnee jôh, we hebben niet
meer dan een krantenwijk," kwam bedoeld onwaarschijnlijk bij
haar over. "Ja, ja
ik laat mij niet zo makkelijk in de maling
nemen hoor," diende zij ons van repliek. Wij konden kletsen als
Brugman, "nee, echt niet van de redactie", wat haar steeds
meer van het tegendeel overtuigde. "Ik wil zelf ook journaliste
worden", schoof zij ons een biertje van het huis toe. "Kunnen
jullie mij daar een beetje bij helpen?" "Ach, wie weet",
begonnen wij ons een houding aan te meten. "Schrijf je nu al veel?"
"Ja wel, maar alleen in m'n dagboek." "Hum, op zich best
een goeie basis, dagboek
, dagblad
" Aan haar enthousiaste
geknik zagen wij dat Maggie hier ook de logica van in zag. "Maar
ja, hoe objectief schrijf je dan?", gingen wij quasi geïnteresseerd
in op haar kansen in de journalistiek. "Echt ik schrijf dagelijks
in m'n dagboek". "Ja, maar hoe objectief?", probeerden
wij nog eens. Wij zagen dat zij met deze vraag geen raad wist. Ongegeneerd
hielpen wij haar een handje. "Die barkeeper is toch jouw vriend?"
"Jan? ja, al drie weken". "En doe je het al met hem
.
niet dat het ons interesseert hoor, maar staat het ook in je dagboek te
lezen? " "Ja", bloosde zij. "Enne staat ook
jouw allereerste keer er in?", gingen wij meedogenloos door.
"Uh ja, met Jan wàs het de eerste keer
," kwam
haar naïviteit in volle glorie naar boven. Wij wilden weten hoe ver
wij nog konden gaan. "Voor het mooie zouden wij jouw dagboek moeten
lezen. Schrik daar maar niet van hoor, want wij lezen zoiets beroepshalve."
"O ja, net zoals je met je dokter intieme dingen bespreekt",
trok zij een vergelijking waar wij niet direct op zouden komen. "Precies!",
moedigden wij haar aan. "Als jullie morgen langs komen, neem ik
'm mee, mogen jullie mijn dagelijkse reportages lezen." Op deze
afspraak werd ons nog een biertje van het huis voorgezet. Ook bij het
afrekenen kregen wij een fikse korting. "Ik zal vannacht nog tot
het laatste moment mijn dagboek bijwerken," zei zij met een intonatie
van "stop de persen". Met de belofte morgen haar dagboek
op te halen, namen wij aller hartelijkst afscheid. Van een avondje heel
bijzonder lol maken aan de bar.
Langs mijn breinnistische zoekmachine volgden er nog een aantal figuren, die voor Valentijnsdag genomineerd zouden kunnen worden. Zoals een aantal geflopte verkopers, waar ik later nog eens over zal verhalen. Van neringdoenden, die via de curator uit ons straatbeeld zijn verdwenen. Als genomineerde hoort hier zeker ook Evert thuis. Evert de kok van het
Scheveningse nachtleven, die in de wintermaanden bij mijn ouders in hotel
sliep. Dit hotel lag direct aan de boulevard en had in de winter nauwelijks
bezetting. Voor ons een prima moment om, op grote schaal een feest te
geven, waarbij de feestgangers uiteraard konden blijven slapen. Behoudens
in kamer 12, want daar, aan de tuinzijde van het pand, sliep Evert de
kok. Ons feest was nog druk aan de gang, toen Evert totaal verregend binnen
kwam. Jemig, het was al drie uur in de nacht en het regende en stormde.
"Je boft, want de baas zelf is hier vanavond ook en hij komt ook wel even kijken". Met een geselecteerd gezelschap, onder auspiciën van quasi-baas Alex, gingen wij in kamer 12 polshoogte nemen. Evert de kok stond in een lullige pose bij zijn bed, terwijl het in z'n kamer minstens zo hard stormde en regende, als daar buiten. Zoiets hadden wij nog nooit gezien. De complete pui lag er uit en de gordijnen wapperden stijf tegen het plafond aan. Alex overzag de situatie, had zich compleet in zijn rol als directeur van het hotel ingeleefd en zei zonder te verblikken of te verblozen: "Da's heel vervelend. Morgen moet er gelijk een timmermannetje komen. Maar tja, er zijn momenteel geen kamers vrij. Ik zal je een extra deken geven " En gespeeld arrogant keerde hij de kok zijn rug toe. Evert had er desalniettemin alle begrip voor. Deze introverte kok stond dan ook heel lang bij mij met stip genoteerd.
Mijn treinreis naar Amersfoort deed dit veranderen. Bij Amsterdam Centraal
kwamen twee moeders met vier kindertjes bij mij in de coupé zitten.
Drie kinderen vermaakten zich prima en smulden van al het lekkers wat
hen werd toegeschoven. Een jongetje van zo'n vijf jaar hield zich afzijdig
en was eigenlijk alleen maar aan het jengelen. Nee hij hoefde geen boterham
met omelet. Nee, geen Mars en nee, hij had geen dorst. Hij wilde alleen
de trein maar uit. "Wanneer zijn we er nou?' "Nog even geduld
Olaf" Zijn drenzen verhevigde zich van station tot station. Af
en toe kon hij worden afgeleid, maar dan kwam het gezeur weer in alle
hevigheid terug. Ik had reden om mij er inmiddels aan te ergeren. Maar
dan ineens is er dat keerpunt. Niet dat het gezever was afgelopen. Verre
van
|