|
Mag Leien Denk nou niet dat ik ziekenhuisverslagen schrijven tot de ultieme hobby heb verheven, waarbij een 5e kopoperatie onvermijdelijk was. Nee, eerder was het mijn Haagse chauvinisme, wat mij deed geloven dat ze onder de rook van Den Haag hét toch nog beter weten dan in de Vrije Universiteit van Amsterdam. Daarbij sluit ik niet uit, dat onbewust bij mij een oud-Haags soldatendienstplichttheorie, “Amsterdammers hebben alléén maar een grote bek”, opgeld deed. Het gaf mij, bij het nemen van een ernstige beslissing, tenminste enige houvast. O nee, niets dan lof voor de quartetprestatie die in het VU werd geleverd. Maar ja, als een Haagse KNO-arts dan zegt “er zin in te hebben” , toog je toch vol optimisme naar zijn werkterrein, het Leids Universitair Medisch Centrum. Met open armen werd ik hier ontvangen, waarbij mij direct al opviel dat Haags de voertaal is. Na een diepte-interview vol van geestelijke intimiteiten, werd ik aan een arts-in-studie overgeleverd. In een ruimte, wat meer op een opslagplaats leek, zocht hij lijfelijk bij mij m'n goede en minder goede kanten op. Alles netjes schriftelijk vastleggende. Kennelijk ontging het de arts in wording niet dat hij met een doorgewinterd kopstuk had te maken. Een predikaat dat mij overigens ooit door een Turkse medepatiënt werd gegeven: "Jouw kop stuk". Tenminste, ik wil nog steeds niet geloven dat Abdula toen in vragende vorm sprak. Maar goed de neo-arts voelde zich er toe geroepen, mij te onthullen dat het z'n eerste dag was. Iets wat, weliswaar z’n onhandigheid verklaarde, maar verder niet waarneembaar was. Vele malen heb ik hem nog, met lichte arrogantie, mijn kamer voorbij zien schrijden. In de schaduw van zijn leermeesters was hij dan weer aandoenlijk timide, naar mij verlegen lachend, waarbij hij mij wél het gevoel gaf dat hij zijn arrogantie ooit nog wel eens waar maakt. Nadat ik alle operatieve voorpret had ondergaan, inclusief uitvoerige toelichtingen over datgene wat de diverse specialisten mij D-Day zouden aandoen, werd het wachten op mijn tweepersoonskamer in gang gezet. Een kamer die ik overigens deelde met de keeper van F.C.Oegstgeest, die direct vanaf het voetbalveld, in puin was binnengebracht. De dag daarvoor verloor hij zowel zijn gezicht als de wedstrijd (1-3). Om hem niet te storen in zijn leedverwerking, poogde ik mij in een boek te verdiepen, steeds weer opnieuw afgeleid door de passanten die de periferie van mijn tijdelijke onderkomen bevolkten. Zoals die sjokkende bejaarde, die met een slang aan z’n rijdende paal was verbonden. Iets wat duidt op postoperatieve bewegingen, die overigens niet naar wens van de naast hem lopende verpleegkundige verliepen. Pal voor mijn deur werd hij door haar staande gehouden. Met een krachtige Marva-stem kreeg hij de instructie goed rechtop te lopen. “Schouders naar achteren, waarbij de aangebrachte elastiek niet mag verslappen. Weet u nog wel, meneer Van Vleuten. Kom we gaan er nu even de pas in zetten”. Nog maar net uit zicht, hoorde ik tot mijn stomme verbazing de struise verpleegster haar paalpatiënt zelfs tot marstempo aan zetten. “Links, rechts, links…” galmde haar zachte G hard door de gang. Trouwens, veel van mijn afleiding speelde zich auditief af. Neem nou Diederick, de man van koffie, thee en koud water. Deze niet gediplomeerde verpleger, die zich de laatste 8 jaar volledig in de catering heeft gespecialiseerd, was op gehoor over de gehele afdeling KNO te volgen. “Alsjeblieft jongen, eet ‘r maar effe lekker van, morgen sta je droog”, bracht hij mij heel vaderlijk het avondplateau. “En je trek maar zoveel koffie of thee van de kar als je hebben wilt” , verhulde hij uitnodigend dat hij absoluut niet van plan was zijn patiënten achter hun togus aan te lopen. Zo dienstbaar wenste hij alleen voor zijn paard te zijn, begreep ik later, toen hij lyrisch sprak over die schone ruin, die hem door de Freule uit Voorburg volledig werd toevertrouwd. “Het is eigenlijk gewoon mijn paard, tenminste zo voel ik dat”, verklaarde hij zijn liefde voor het edele dier van adellijke komaf. Als de liefde wederzijds is, moet die viervoeter heel tolerant het eeuwige gelul van Diederick wel voor lief nemen, of zelf ook wel van een eenzijdig praatje houden. O let wel, voor mij kwam zijn babbelgedrag ook als een welkome afleiding. Ik genoot van mijn auditieve voyeurisme, zeker toen vriend Arend hem onder het werk dringend aan de telefoon vroeg. Er viel niet direct uit dit telefoongesprek op te maken, waar Arend’s hoge nood uit voort kwam. Wel vond ik Diederick redelijk snibbig dit gesprek in gaan. Alsof zij die ochtend met onenigheid uit elkaar waren gegaan. “Ja Arend, zo ben ik nu eenmaal. Jij reageert heel anders, dat weet ik. Maar een karakter valt niet zomaar te veranderen. Dat verwacht ik van jou toch ook niet”. Dit leek mij een schuldbekentenis. “Ik kan nou eenmaal niet goed met jouw Paps opschieten, maar daarom hoeft hij mij niet allerlei verwijten naar m’n kop te slingeren. Neem nou….., Ja…maar… dan nog…,” werd hem verder door Arend de mond gesnoerd. Onwillekeurig trok ik partij voor Diederick en genoot verder van het telefoongesprek, wat gelukkig weer in zijn voordeel keerde.Ik realiseerde mij dat je ook in een ziekenhuisbed op zoek bent naar jouw held van het moment. Ter afleiding, dat wel. “Je houd je morgen goed hè jongen…”, verliet mijn held enige tijd later zijn werkterrein.
Direct werd mij, als bij een APK, allerlei apparatuur aangekoppeld, wat direct vervaarlijk begon te piepen en te knipperen. Protectioneel nam ik mij voor mijn conditie niet aan deze toeters en bellen af te meten. Het wachten is op toegang tot de operatiekamer. En dat duurde. Assistenten liepen af en aan. Toen ik meende lang genoeg het wachten te hebben voortgezet, neigde ik er toe de eerstvolgende assistent te claimen, om mij de OK op te rollen. De gedachte dat er dan mogelijk een geheel andere operatie zou worden uitgevoerd, weerhield mij van de poging tot voorpiepen. Dan volgt toch het moment dat je bijna plechtig de OK wordt opgereden. “Het waarheen, waarvoor”, van Mieke Telkamp speelde zich in m’n kop onwillekeurig af. Een doorzichtig kapje over m’n neus, door een hemels bekkie liefdevol geplaatst, lazerde mij de diepte in, op weg naar niets wat later valt te herinneren. In deze toestand kon het boren en hakken in mijn kop een aanvang nemen. Ruim drie uur nadien had ik het hemelse weer voor het aardse verruild. Kennelijk toch weer met enige zorg over m’n aardse bestaan, was mijn eerste vraag, “of ik mij wel had gedragen”. Mogelijk uit vrees dat m’n gereserveerde plek aan gene zijde weer aan een ander zou worden vergeven. Het was weer kloterig om uit de narcose te komen, iets wat de observers van de uitslaapkamer passief bevestigden, door mij langer dan gebruikelijk te laten liggen. Eenmaal weer van hen ontslagen, was het heerlijk per Riksja weer op de basis terug te keren. Liefdevol werd ik door de zaalzustertjes ontvangen, om 24 uur lang bij hen onder strenge controle te staan. Een periode waarvan ik met volle teugen genoot. Uiteindelijk ben ik gek op aandacht en graag in handen. Wel bleek het raadzaam m’n dienstertjes nauwlettend te blijven volgen, in het wel of niet toedienen van medicijnen en de voorgeschreven doseringen. Want, kennelijk door het personeelstekort, was er bij hen een vanderValkbediening ingeslopen, waarbij altijd iets fout moet gaan. Zoals preoperatief was verteld, zag ik er de volgende dag niet uit, met een volledig dichtgeslagen oog voorzien van een diep blauwe steunkleur. De aandacht van m’n zustertjes liep terug, naar mate ik verbeterde en dat ging snel, heel snel. Inmiddels had mijn KNO-arts een kort verslag gedaan over de operatie, waar hij tevreden over was. “Je kon zien dat er in jouw hoofd eerder mensen zijn geweest”, rapporteerde hij als een ontdekkingsreiziger. “Oja, zonder jouw toestemming hebben we ook maar even een stukje tussenschot weggehaald, wat je schedel inpriemde.….. Of hadden we je eerst bij moeten laten komen, voor de toestemming….” en weg was ie, naar de uitleg over een gedane keeloperatie. Ik nam mij voor geen actie te ondernemen, tegen het onrechtmatig toe-eigenen van een stukje tussenschot. Hunkerend naar het beteren ging ik m’n eerste hersteldag in. Verstoken van bezoek, omdat de spoorwegpiraten het bijltje er bij hadden neergelegd, was m’n eerste dag ingegaan. Al voor het ontbijt werd er een feestelijk tintje aan de dag gegeven. Een bevriende zakenrelatie had mij een, met helium gevulde ballon aan een touwtje doen bezorgen, waar ik als een kind zo blij mee was. De meewarige blikken van de Hooligans van F.C. Oegstgeest ten spijt.
-0-0-0-
|