Hallo geen kip.

Op één van onze vakanties naar Spanje, besloten wij om met de caravan een tijdje neer strijken op een grote parkeerplaats, pal naast een hotelletje. Vanaf deze standplaats de omgeving eens verkennen leek ons wel wat, zeker omdat we van plan waren een week of vier in dit land te blijven. Het hotelletje heette "Las Vinas", wat De wijnstokken betekent. De allereerste avond besloten we meteen maar eens naar binnen te gaan, om wat te eten. Vakantie nietwaar. Omdat ons Spaans het niveau had van dat van een twee jarige peuter, zich slechts beperkte tot Si, No, Ola en voor kip "Kukeleku", werden we gelukkig geholpen door de eigenaar zelf, ene José (natuurlijk…) Hij sprak Duits en de conversatie verliep al snel in een andere richting dan de menukaart. Het bleek dat hij in Duitsland had gewoond, omdat hij met een Duitse getrouwd was geweest, waardoor hij nog steeds last had van een behoorlijke dosis heimwee. Naar die mevrouw of naar het land, wat ons niet duidelijk werd. Eigenlijk, daardoor waarschijnlijk, wilde hij graag Josef worden genoemd, aan welk verzoek wij voldeden. Dan wel graag in ruil voor zijn vertaling van de spijskaart. Het klikte erg goed, hij praatte graag met ons over zijn Duitse tijd, we mochten water komen halen, zoveel we wilden en waren vaak s'avonds nog gezellig aan de bar met hem aan het babbelen.

Op een dag zag ik vanuit het caravanraam dat er een bestelbus achterom reed. Er werden een aantal dozen uitgeladen en geopend. Het waren ééndagskuikens, die los werden gelaten op het erf achter het hotel. Op die plek was er ook een vuilnishoop, in Spanje in die tijd heel normaal, waar alle etensresten werden neergegooid. De bedoeling was dat de kuikens zich eraan te goed zouden doen, tot ze slachtrijp waren om vervolgens te belanden op de borden van de gasten. "Tja, dat zou in Nederland helemaal niet mogen", dacht ik nog. Bezorgd als een kloek zou zijn, hield ik de trippelende gele massa in de gaten, die zich als een gele deken over de vuilnishoop bewoog. "Door de warmte en het voedselaanbod zouden deze kuikens heel snel groeien", zo vertelde Josef ons uit eigen ervaring. Een dag later ging ik ook mijn bijdrage aan de vuilnisberg brengen. Ik stond daar met mijn emmertje verbaasd te kijken naar de piepende massa. Net toen ik het emmertje had geleegd, zag ik een kuikentje tussen de smerige smurrie op zijn rug liggen. Ik dacht dat het wel dood zou zijn en keek voor alle zekerheid nog eens goed, omdat het net leek of ik het nog zag bewegen. Ja dus….het bewoog. Snel raapte ik het op en nam het mee naar binnen, liet het aan Josef zien, maar zijn reactie was: "Er sneuvelen er altijd wel een aantal". Ik keek hem aan, terwijl er tranen in mijn ogen schoten. "Mag ik deze dan meenemen, om te kijken of ik hem nog kan redden?". Josef keek met een gevoelloze, onverschillige blik terug en zei: "Natürlich!". Het kuikentje was afgekoeld en voelde plakkerig aan. Ik deed hem in een handdoekje, wat druppeltjes water in zijn bekje, om hem daarna in de auto te zetten, die dienst mocht doen als broedmachine. Ieder uur ging ik kijken, hopend op een goede afloop, die me ook gegund was. Want ik kreeg hem erdoor.

Na een aantal dagen trippelde hij vrolijk door een kartonnen doos, bekleed met handdoeken. "Tja, welke kip heeft zo'n paleisje?!", dacht ik tevreden. Zachtjes aan werd hij groter en liep hij los door de caravan achter me aan, omdat hij dacht dat ik zijn moeder was. Mijn kippenkind trippelde op tafel over mijn boterhammen, een spoor van boterpootjes achterlatend op het tafelkleed. Overal waar ik stond, stond hij achter me. Zelfs s'avonds wilde hij op schoot. Als eten kreeg hij tomaat met suiker, sla, rijst en bruinbrood met boter. Hij groeide als kool, waarbij al snel het verschil zichtbaar was met de kuikenclub, waaruit hij was gered. Want hij was groter en vooral veel witter. Overdag's verbleef hij, inmiddels had hij al de grootte van een half haantje, als een hondje onder de caravan. Als ik er aan kwam lopen riep ik: "Hallo!" Dan kwam hij fladderend aangerend, denkend dat Hallo zijn naam was, om zo goed als hij kon, in mijn uitgestoken armen te landen. Inmiddels vroeg ik mij af, of het een haantje of hennetje zou zijn. Hij was wit met een mooie pluimstaart en rode kam, maar daaruit kon ik niet afleiden, of dit exemplaar mij ooit eitjes zou gaan leveren. Vrij snel werd het me duidelijk toen ik plots s'morgens rond half vijf uit mijn slaap werd gewekt, met een totaal mislukte poging, om zijn mannelijkheid te tonen. Het was niet om aan te horen, een slechte imitatie van hanengekraai, waardoor ik lachend mijn bed uit kwam. Het was dus een Hij…..
Nooit eitjes dus.

De tijd vloog voorbij en het werd weer tijd om naar huis te gaan. Maar wat moest er nu met Hallo gebeuren? Achterlaten…..nee, hij zou met zijn postuur onmiddellijk in de braadpan belanden. Meenemen? Tja, maar hoe komen we met deze illegale verenbaal zonder paspoort langs de douane? In de caravan verstoppen, was de enige manier. Maar dan wel onderin de slaapbank, zodat hij zich met zijn gekraai niet kon verraden. Ons plannetje lukte, wij kwamen veilig met hem terug in Nederland. Onze katten hadden meteen geen leven meer, want Hallo eigende zich meteen onze achtertuin toe. Na een tijdje was hij zó niet meer te handhaven. Het werd tijd dat zijn leventje door een aantal dames wat werd opgevrolijkt, dus brachten we hem onder bij de plaatselijke kinderboerderij. Toen we hem daar los lieten stoof hij op de aanwezig harem af, ons als dank, achterlatend in een stofwolk.

Dank…?! Welnee!, ik deed het graag. Een paar dagen later stond er hier kip op het menu. Toen ik het vleesmes in de zachte kippenborst zette, om het in stukken te snijden, bespeurde ik bij mezelf een behoorlijke weerstand. Vanaf dat moment heb ik geen kip meer gegeten. "Hallo?" "Nee dank u!" "De appelmoes en frites wel dan?" "Natürlich!!"