Stompje, mijn kampioen.

Daar zat hij dan, hulpeloos op de rand van de garage op me neer te kijken, de stakkerd. Ja een stakkerd van een duif, die al heel wat had moeten lijden in zijn leventje. Ik weet dat, omdat deze jongen deel uitmaakt van een groep afdankers, die hier al sinds jaren, iedere dag komt eten. Een vast groepje postduiven dus, die
in de loop der tijd verschillende keren aangroeide, afnam en ook weer aangroeide. In de meeste gevallen met jonge verdwaalde postduifjes, die volledig de kluts kwijt, zich aansloten bij mijn vaste voerverslindertjes. Hij was een zwart exemplaar, die waarschijnlijk ooit een topprestatie voor zijn eigenaar heeft moeten leveren en dat niet kon waarmaken. Ten einde raad en hongerig is hij hier, op mijn dakje bij zijn lotgenoten, terecht gekomen.

Hij viel me een aantal jaren geleden op, omdat zwarte postduiven niet zo vaak voorkomen en ook omdat hij zo prachtig was. Een toonbeeld van kracht en trots, die uiteindelijk werd gedegradeerd tot dakduif. Na een paar jaar hier te zijn gevoed, zag ik op een gegeven moment dat er iets met hem was. Vanaf een trapje zag ik dat hij mank liep. De vaste voetring, die om zijn pootje zat, begon te knellen. Zo'n ring wordt omgedaan door de eigenaar, als ze een paar dagen oud zijn. Hij strompelde maar wat rond en ondanks mijn verwoede pogingen hem te vangen, kreeg ik 'm niet te pakken. Dan rest er slechts om machteloos toe te kijken, hoe zo'n dier zachtjes aan, meer en meer begint te mankepoten. Je ziet dan na een tijdje hoe het voetje opzwelt tot buiten proportionele vormen, knalrood wordt en vervolgens zwart. Het is te vergelijken met eens een stevig elastiekje om je pols te wikkelen. Dan zie je na een minuut of twee je hand wit worden, omdat de bloedtoevoer wordt gestremd.

Tja, dat zien de heren duivenmelkers niet, in hun ogen is alleen de glans van de gewonnen zilveren bekers, over de rug van hun duiven, waar te nemen. Verder niets. Ogen die alles kunnen zien maar niets willen zien. Je ziet het pootje dus afsterven, verdrogen en vervolgens valt het eraf. Wat er overblijft is slechts een stompje, waar de duif zich dan voor de rest van zijn leven mee moet redden en moet wedijveren met de veel vluggere duiven, om voedsel te bemachtigen.

Links is het stompje zichtbaar.

Hij is daar al die jaren buitengewoon goed in geslaagd. Waarom zat hij dan nu zo hulpeloos op de rand van het dak? Omdat hij ziek was en niet zo'n beetje ook. Hij zat met een vreselijk smerige snavel en een nat oog maar wat te zitten. De randen van zijn bek waren zo vies en aangekoekt, dat hij niet meer kon eten. Telkens wreef hij ook nog eens, met dat natte oog over zijn schouderveren, om het schoon te krijgen, wat hem maar niet lukte. Ik wist wat dat betekende, want dit had ik al zo vaak meegemaakt met de vele tortelduifjes, die ik wèl heb kunnen vangen en genezen. Nu was hij dus het slachtoffer van deze vreselijke gemene ziekte, die Trichomonas heet. In het engels Pigeon Cancer, dat zegt al genoeg denk ik. Duivenmelkers noemen het 't Geel, wat wil zeggen, dat er een soort kaasachtige gele woekering ontstaat in het duivenlijf. In de meeste gevallen het eerst zichtbaar in de bek. Ze zijn zonder hulp ten dode opgeschreven. Maar er zijn medicijnen voor, die wel helpen als er je tenminste niet te laat bij bent. Ik heb denk ik al wel bijna 200 van die bruine tortelduifjes gevangen, waarvan ongeveer 40% gered kon worden. Er was dus misschien nog een kans voor hem, maar dan moest ik hem nog wel even zien te vangen. Ja probeer maar eens een oud kampioen lange afstandvliegen te vangen. Probeer Rintje Ritsma eens voorbij te schaatsen, zou ik dan bijna willen zeggen. Ik zette de vangkooi op de vaste plek op het grasveld en wachtte gespannen af. Er gebeurde helemaal niets en toen de avond viel, kon ik helaas de lege kooi weer binnenzetten. "Morgen nog maar eens proberen", dacht ik, want hij moest toch vreselijk honger hebben. Maar nee… ook de volgende dag niet. Het moest niet veel langer meer gaan duren, want anders zouden de pillen niet meer helpen en zou hij verhongeren. De derde dag verstreek, 's-middags om vijf uur zat hij nog steeds hulpeloos op de rand van de garage. Ik had de hoop al opgegeven en voorzag een wisse hongerdood, voor dit al zó ongelukkige dier met zijn stompje.

Terwijl ik eten stond te koken, wierp ik vanuit de keuken telkens een blik op de vangkooi in de tuin. Opeens dook hij totaal onverwachts, naar beneden op het grasveld. Strompelde bevangen van de honger, een keer om de vangkooi heen en liep zo maar door de openstaande klep naar binnen. Ik trok aan het touwtje en de klep sloeg achter hem dicht. Hebbes…. ik rende naar de kooi, zette hem in de garage, zodat ik de duif er uit kon pakken. Snel heb ik de levensreddende pil fijn gemalen en door het gebruikelijke bambixpapje gemengd.

Dit alles in een flinke plastic injectiespuit van het grotere soort (50 ml) gedaan, slangetje door de nog maar piepkleine keelsopening gewurmd en vullen maar. Een heel gedoe hoor, om zo'n slangetje naar binnen te krijgen, waarbij je dan ook nog eens het risico loopt dat je iets stuk stoot, waardoor er een bloeding kan ontstaan. Tja, ook dat is me tweemaal overkomen. 'Das héééél naar', kan ik vertellen, als zo'n diertje dan ter plekke in je handen sterft.

Gelukkig heeft het me er niet van weerhouden om dit risico toch telkens maar weer te lopen, want ik heb er zo toch ook heel veel kunnen redden. En ja hoor !!!! Het is me gelukt, hij is nu inmiddels alweer 14 dagen verder, eet zelf al weer wat en knapt zienderogen op. Na een aantal dagen heb ik hem, toen hij al wat was bijgekomen in mijn volière gezet, om eens te kijken of hij terug verlangde naar zijn vrijheid. Nee dus….. duidelijk niet. Voor hem heeft het lang genoeg geduurd, zo op mijn dak, want hij wilde zelf na een minuut of vijf weer terug, door het klepje zijn hokje in. Dat mag hij, want dit dier verdient zijn rust nu wel. Hij mag bij mij zijn leventje verder doorbrengen. Want voor mij is hij een Kampioen met een grote K.
Ik hou niet zo van de glans van zilveren bekers…..

Helga