|
| |||
|
Een tutje voor de poes. Merels gaan altijd behoorlijk te keer als ze jongen hebben en er gevaar dreigt. Aangezien de omgeving waar ik woon rijkelijk is voorzien van deze zwarte herriemakertjes, ben ik wel gewend aan hun, voor indringers bedoeld, kwetterend gedrag. Vaak begint dat zo tegen de schemering. Vooral als er een kat in de buurt van hun uitgevlogen kroost komt, kunnen ze behoorlijk te keer gaan. Meestal duurt dat zo'n paar minuten, tot het gevaar is geweken. Maar ik vond dat het dit keer wel erg lang duurde, dus besloot ik om eens te gaan kijken. Toen ik naar buiten liep, zag ik meteen de oorzaak van al dat kabaal. Daar zat precies onder mijn vensterbank een klein Cypers katje, het donkere type dan, van een week of acht oud. De merels vlogen steeds in duikvlucht rakelings over haar kopje, waardoor het katje van angst ineen gekrompen zat. Ik pakte het diertje op, waarbij het zich direct aan mij vastklampte. Binnen heb ik haar eten en drinken gegeven en omdat ze nogal koud aanvoelde, heb ik haar een tijdje op mijn schoot gehouden. Ze kroop helemaal tegen me aan, steeds verder naar boven, tot ze zowat in mijn nek lag. Opeens begon het diertje aan het randje van mijn shirtje te sabbelen. Ik liet haar een tijdje gaan, omdat ik mij realiseerde, dat ze haar moeder wellicht miste. Ondertussen had ik al een naam voor haar bedacht. Het was in de maand Juli toen ik haar vond, dus werd het: Julie. Hier in het Brabantse werd dat al snel Juleke. Ze werd het liefste, aanhankelijkste katje, dat ik ooit heb gehad. Onafscheidelijk waren we. Het sabbelgedrag ging niet meer over, dat bleef ze haar hele leventje doen. Elke keer met natgelebberde truitjes rondlopen is op zich ook niet alles, vooral niet als er wordt aangebeld, dus gaf ik haar ter vervanging een zakdoek. Als ik riep: "Waar is je tut ?", kwam ze naar me toe gerend, om even weg te dromen in mijn armen. Het tutje was voor haar een prima vervanging voor de moederliefde, die ze waarschijnlijk niet heeft gehad.
Aangezien ze door alle onderzoeken toch nog half onder narcose was, stelde de dierenarts voor haar, om ons en haar een lijdensweg te besparen, maar meteen in te laten slapen. Mijn wereld stortte in. "NEE!", riep ik heel hard tegen mijn man. "Ik wil mijn diertje terug. Al drie dagen heb ik d'r niet gezien, denk je nu dat ik haar dan zomaar laat inslapen .nooit !!!!" "Ik kom haar NU halen", hoorde ik mezelf nog door de telefoon terug roepen. De mooie kleren werden vlug uitgetrokken, de nagellak en lippenstift werden eraf gepoetst en de oude spijkerbroek weer aangetrokken. Mijn man ging haar halen. Zenuwachtig liep ik te ijsberen, angstig voor wat ik straks in het kattenmandje zou aantreffen . Toen ze thuis kwam lag ze versuft voor zich uit te kijken, maar ze hoorde mijn stem en zachtjes begon het gespin. Ze wist dat ze weer bij me was. Toen ze s'avonds alweer een beetje bij was gekomen, kon ik het maar moeilijk
verkroppen dat ze niets kon eten. Daar moest toch iets op te verzinnen
zijn, want drinken lukte wel door de nog piepkleine opening in haar keeltje,
die weldra verder dicht zou groeien. Hoelang zou ik haar leventje nog
kunnen rekken? Ik pakte een theezeefje. Met een lepeltje duwde ik Whiskas
door de fijne zeef heen, de brij die daardoor ontstond vermengde ik met
water, zo ontstond er een drinkmaaltijd. Dat ging heel goed. Drie weken
heb ik zo nog intens van haar kunnen genieten. De dierenarts kwam
.
ze is zachtjes op mijn schoot in slaap gevallen met de tut tussen
haar voorpootjes. Nu is ze al zes jaar weg, maar terwijl ik dit schrijf,
rollen de tranen over mijn wangen. Haar laatste tutje bewaar ik in een
plastic zakje. Soms
.
|