Monsieur Ferdinand de Lesseps

Zomer 1997 genoten we als vanouds op ons eigen stekkie van het God in Frankrijk gevoel. Het was de eerste keer dat we geen huisdieren mee hadden. Zoon Erik had die zomer een baantje, bleef daardoor thuis en kon zodoende mooi het dierengespuis verzorgen. Natuurlijk miste ik het wel, maar dat gevoel werd deels goedgemaakt doordat ik al een aantal jaren, samen met wat later onze Engelse vrienden werden, Colin en Ann en ons Marokkaanse manusje van alles, genaamd Pelleqide de schuwe zwerfkatten op het park stiekem van eten voorzagen. Stiekem….? Waarom? Wel, natuurlijk had de directie van het park liever niet dat je dit deed, om een kattenplaag te voorkomen. Dom, dom natuurlijk… Hoe kunnen katten nu een plaag zijn?! * smile *…. Het eerste jaar trof ik een wondermooie tabbypoes aan, met zulke stralende helgroene ogen zoals je zelden ziet. Elke dag zorgde ik dat er een bakje eten stond met vers water, weggestopt weliswaar tussen de struiken, omdat ze zo schuw was dat ze anders niet durfde te eten. Natuurlijk probeerde ik elke dag om het eten iets meer in het zicht te zetten en héél voorzichtig toenadering te zoeken. Echt een succes was dat nooit. Soms, héél soms bleef ze tóch een paar minuten zitten en kon ik van haar genieten! Op dat moment dacht ik nog dat ik de enige was! Tot er zich, zoals gezegd, langzaam een vriendschap ontwikkelde tussen The English et monsieur Marocaine en bleek dat zij exact hetzelfde deden. Een optimaal verwend dametje dus… Al mijn zorgen, over hoe het nu 's winters met haar moest, werden in één klap weggevaagd. Vooral ook toen Pelleqide, die helemaal op een plaatsje achteraf op het terrein woonde en het hele jaar aanwezig was, onthulde dat er nog veel méér katten waren en dat hij de zorg daarvoor op zich nam!. Pff, een hele opluchting!

Het jaar erop was er opnieuw, een iets anders van kleur, prachtig dametje wat regelmatig haar eetopwachting kwam maken. Al snel werd ik op de hoogte gebracht, dat dit de dochter van het groenoogje was. Het inmiddels gebruikelijke voerritueel werd door ons ook dit jaar weer met plezier herhaald. Inmiddels had ik er een gewoonte van gemaakt, om als onze schandalige, maar oh zo heerlijke tijd van soms wel tien weken er weer opzaten, een aantal grote zakken kattenbrokjes achter te laten, om de kosten zo een beetje te delen. Benieuwd was ik dan ook, wat ons het jaar erop weer te wachten stond. Op het park aangekomen en Colin en Ann begroetend, wenkte Ann me met een zachte "sssstttt…." Samen keken we onder het dekzeil van een wagentje in hun tuin en daar lag hij…. een piepklein katertje, het kind van de dochter! Kunnen jullie het nog volgen?… Welnu, we hadden nu niet alleen oma en dochter, maar ook een kleinzoon. Ann vertelde me dat moederlief steeds vaker bij hun in de tuin verbleef en dat ze onder hun mobile home haar kittens had gekregen. Drie stuks, waarvan dit mannetje de enige overlevende was. En passant vertelde ze erbij dat ze wel eten gaf, maar geen menselijk contact met hem maakte, omdat hij anders nooit zou overleven. "Het zijn en blijven wilde zwerfkatten immers!" Om eerlijk te zijn… Ik geloofde er geen snars van en keek haar met een opgetrokken wenkbrauw en een big smile aan. "Sure Ann you're such a wise woman!" De jongens die ook even kwamen kijken zeiden ogenblikkelijk, nadat ze het kleintje hadden bewonderd: "Oh nee mam, we nemen hem niet mee…" Haha niet alleen ik beschik over een aardig portie zelfkennis, maar ook zij kennen hun moeder door en door. Was mijn plan dan al getrokken?…. Ja hoor in a split second! Wijselijk hield ik mijn mond en dacht: "ach ik heb nog minimaal 6 weken om de mannen te hersenspoelen" Terugkomend, op het waarom ik er geen snars van geloofde, dat er geen contact was tussen Ann en het kleintje… Het ventje bleef ondanks alle aandacht en oogcontact namelijk uiterst rustig liggen, zonder ook maar enigszins angstig te zijn of vluchtneigingen vertoonde.

De dagen erna ging ik regelmatig op bezoek. Op een dag toen het kleintje weer heerlijk onder het zeil lag, vatte ik de koe bij de hoorns en pakte hem op. Zonder te willen vluchten klampte hij zich aan mij vast. Nu pas kon ik hem echt goed bekijken. Nee op zijn beeldschone oma en moeder leek hij niet, maar dat koppie… Nog nooit heb ik zulke melancholieke oogjes gezien. Ze betoverden je gewoon. Heb ik hem daarna op zijn plekje teruggelegd?… Nee dus, met hem op mijn arm ben ik naar onze tuin gelopen met de woorden: "ik wil hem alleen maar even laten zien hoor jongens!" Vrijwel uit één mond klonk het: "We nemen hem…!"

Toch die toveroogjes hè?
Nu moesten er plannen worden gemaakt, hoe we dat gingen aanpakken. Hoeveel zorg kreeg hij bijvoorbeeld nog van zijn moeder?, of konden we met het domesticeren beginnen. Een babbeltje met Ann maakte al snel duidelijk dat moeder haar kind aan het wegjagen was. Ze bleek opnieuw krols te zijn en tja die oerdrang gaat dan voor je kind. We konden dus rustig ons plan trekken.

In een afwasteiltje werd wat aarde van de plaats gehaald, waar hij volgens Ann meestal zijn behoefte deed. Met de jongens werd de afspraak gemaakt om in ieder geval de eerste dagen de deuren dicht te houden. Het kleintje ging kennis maken met de binnenwereld en de mens als vriend. Hoewel we normaal 's avonds altijd buiten aan tafel zaten met een spelletje, een wijntje en te genieten van andere geneugten des levens, offerde iedereen zich zonder morren op om het plan te laten slagen. De eerste avond zaten we dan ook binnen aan tafel te kaarten. Het kleintje scharrelde wat rond, totdat hij, tot onze welhaast stomme verbazing, op tafel sprong en geloof het of niet, spinnend en wel pontificaal bovenop de kaarten ging zitten. Op dat moment wist ik het zeker: dit gaat lukken! Onnodig te zeggen hoe we allemaal genoten van dát moment. Na twee dagen durfden we de deuren weer open te laten, het kleintje was en bleef in de tuin of was binnen. Vanaf nacht één sliep hij bij ons onder de dekens. Regelmatig werd ik 's nachts wakker omdat hij probeerde mijn tepel als melkbron te gebruiken…ik was zijn mama geworden…zo aandoenlijk. Zelfs de truc met de kattenbak werkte voorbeeldig en na een aantal dagen kon er écht kattengrit in. Moeder was in geen velden of wegen meer te bekennen, wat ongetwijfeld betekend dat ze diezelfde zomer nog een nestje zou krijgen. Een naam had onze petit fils nog niet. Oh ja, velen waren de revue al gepasseerd, maar ook nu waren we weer op zoek naar iets wat bij hém paste. Op een dag opperde één van ons al kletsend tegen het nog naamloze wezentje, tja jochie jij wordt een échte wereldreiziger. Waarop in één klap zijn naam vaststond: Ferdinand, naar de bekende Franse wereldreiziger Ferdinand de Lesseps. Niet alleen een leuke, maar ook nog toepasselijke naam. Kon het mooier?!

Dat brengt me gelijk bij de plannen die we bedachten, hoe we de autoreis naar Nederland het beste konden organiseren. We begonnen met iedere dag de auto een tijdje in de tuin te zetten en ik ging er dan samen met hem inzitten. Na een aantal daagjes vond hij dit zo prachtig dat hij, zodra het portier openging erin sprong. Tijd voor de volgende stap. Vanaf dat moment ging ik elke dag een stukje met hem rijden. Eerst over het park, later een krantje kopen in het dorp en dit hield ik een aantal weken vol, steeds een stukje langer. Zo ontstond er een kat die, net als veel honden, al klaarstond om in de auto te springen. Nee, over de terugweg hoefden we ons absoluut geen zorgen te maken! Zonder problemen kwamen we dan ook in Nederland aan. Ook thuis met de andere poezen ging de aanpassing wondergoed. Natuurlijk, Ferdinand, door ons meestal liefkozend Ferreke genoemd verloochende zijn roots niet. Jagen kon hij als geen ander. Buiten zijn, was zijn lust en zijn leven, maar de vele uren die hij binnenwas bleek hij zich niet te onderscheiden van een normale huis, tuin en keukenkat. Overigens, bestaan er wel normale katten?! * smile *!

Helaas heeft dit verhaal geen gelukkig einde. Ferdinand bleef dol op auto's. De mensen in de buurt wisten dit en hielden daar rekening mee. Op een dag was hij weg, máánden weg. Hoe we ook zochten, wat we ook ondernamen, niemand had iets vernomen. Op een dag kwam mij ter ore dat iemand hem in de kofferbak van een auto had zien zitten. Weten doe ik het niet, maar ik heb sterk het vermoeden dat hij met een vreemde is meegereden en tja dan kun je zoeken wat je wilt. Wie weet hoever hij dan mogelijk van huis was. Maanden, lange maanden verstreken, de wintermaanden nog wel en mijn gedachten dwaalden vaak naar hem af, hoe redt hij zich als hij nog leeft?! Ach wat heb ik allemaal niet gedacht. Op een koude dag in februari zei opeens één van de jongens: "Mam Ferdinand zit in de tuin!".
Ik kon mijn ogen en oren niet geloven. Eenmaal binnen zag ik hoe ontzetten vermagerd, vervuild en verwilderd hij was. Door goede zorg werd hij fysiek weer sterker en sterker. Maar Ferdinand was Ferdinand niet meer. De maanden van letterlijk overleven, waarschijnlijk vechten om eten, hadden hem mentaal totaal veranderd, de wilde oorsprong had de overhand gekregen. Natuurlijk hoopte ik dat tijd, liefde en aandacht hem weer tot rust zou brengen. Helaas, hier had ik mis gerekend. Los van het feit dat hij wel in huis kwam en ook sliep, werd hij een gevaar voor de andere dieren en ook voor ons. We konden niet meer in de buurt van hem komen en hij zal me wat gebeten hebben. Bij de dierenarts regelde ik valium voor hem, in een laatste poging hem langzaam tot rust te brengen. Allerlei mensen die er mogelijk verstand van konden hebben werden geraadpleegd. Ik bleef me voorlopig vast houden aan die uiterst minieme kans dat het goed zou komen.

Toen de situatie ècht uitzichtloos werd en ik radeloos naar de dierenarts stapte met de vraag: "Is hier nu ècht geen oplossing voor?", keek hij me aan en zei: "Janneke je weet allang dat er maar één oplossing is?! Alleen, jij moet er klaar voor zijn, maar weet één ding, dit is voor hem ook geen leven". Radicaal heb ik toen het besluit genomen om Ferdinand rust te gunnen. Uiterst liefdevol heb ik hem toen hij eenmaal in slaap was, weer als vanouds in mijn armen genomen en daar is hij uiteindelijk gestorven. In tranen vroeg ik aan de dierenarts of hij een borsteltje voor me had. Het laatste wat ik voor hem kon doen, was in ieder geval die totaal verwaarloosde lieveling lekker te borstelen, zijn oortjes en snuitje schoon te maken. Hij zou mooi, zoals we hem jaren hadden gekend, zijn grafje ingaan.

Achteraf vroeg ik mij af: "Heb ik er wel goed aan gedaan hem mee te nemen?!"
Een volmondig JA is hierop mijn antwoord. De vele, jaren die hij intens gelukkig bij ons was, wegen naar mijn vaste overtuiging, op tegen het harde leven in de bush bush van Frankrijk.