|
| |||
|
Katja kwam en ging als Mientje. Het huis waar ik nu al vele jaren woon, stond in het begin gewoon op een lege, kale vlakte, alsof het er zo was neergegooid. Geen schutting noch enige aanplant te vinden. Alle mensen woonden er net, omdat de huizen er ook nog maar net stonden. Veel uit- en overzicht dus en dat is nu wel anders geworden. Maar goed, toen dus, stond ik op een zaterdagmiddag het eten voor te bereiden en vanwege het warme weer stond mijn keukendeur open. Ik hoorde ergens verderop het gemiauw van een katje en dacht in mezelf: "Goh leuk, er wonen hier kattenmensen". Dat "Goh leuk", zou heel snel echter veranderen in "niet-leuk", want door het aanhoudende gehuil van het katje kreeg ik argwaan. Een meter of twintig buiten de achtertuin, was een stukje veld met hoog onkruid, waar nog de resten van een oude schuur en wat andere rotzooi stond. Mijn man besloot om eens te gaan kijken of daar het gejammer vandaan kwam. Het duurde wel twintig minuten voordat hij terug kwam, met een katje van een week of zes oud in zijn handen. Het katje liep tussen de rommel en het hoge gras moederziel alleen. Godver Toen ik hem vroeg waarom het zo lang had geduurd, zei hij dat er nog een katje was maar dat hij tevergeefs had gezocht. Ik pakte het kleine ding aan en mijn man ging terug om nog eens te kijken, bleef nog eens een half uur weg, maar vond niets meer. De dagen erna ook nog gezocht, maar helaas niets. Het kleine ding groeide als kool, kon het prima vinden met het hondje, dat we kort voor haar komst hadden aangeschaft en we noemden haar Katja, wat later overging in Kaatje, daarna Kattemie en uiteindelijk Mientje. Dat ging al pratend tegen haar, vanzelf. Mientje dus, had evenals alle katten een geheel eigen manier om haar aanhankelijkheid te tonen. Als we ieder op de bank zaten, we hadden een 3-2 zits, en onze benen dan op de kloostertafel legden, liep ze eerst naar mijn man, vervolgens van zijn buik over zijn gestrekte benen naar de tafel en dan van de tafel over mijn benen naar mij toe. Dit ritueel herhaalde zich zo'n zes tot zeven keer, totdat mevrouwtje haar knuffelvoorraad weer op peil had. Het was een snoepje, een als koe getekende diertje, maar dan in zakformaat. Kort nadat ze was gesteriliseerd, begon ze op haar kopje te krabben. Eerst kleine wondjes, maar al ijverig doorkrabbende, werden ze steeds groter. De dierenarts gaf pilletjes en het advies om haar een aantal weken een plastic kapje om te doen, totdat de wondjes weg waren. Maar ze gingen niet over. Na veel heisa met dat kapje besloot de dierenarts om haar hormonen te geven in de vorm van een wekelijks pilletje. Inderdaad was het probleem toen over, alleen Mientje had nu de hele dag honger, werd dikker, dikker en nog eens dikker.
Toen ze twaalf jaar was, kreeg ze opeens problemen, haar eetlust was nog steeds prima, maar ze kreeg het niet naar binnen. Dus naar de dierendok en hij ontdekte een zweer onder haar tong, waar niets meer aan te doen viel. Het arme dikkertje wilde wel eten, maar kon het niet meer, de grootste straf die haar kon overkomen. Ik heb haar nog een aantal weken kunstmatig gevoerd met gemalen Whiskas,
die ik dan aan de zijkant in het bekje spoot, achter in het keeltje, ver
voorbij die zweer, zodat ze toch geen hongergevoel hoefde te hebben. Om
niet helemaal van de honger te sterven, want de zweer werd steeds groter,
hebben we haar in laten slapen. Althans mijn man dan, want ik was van
verdriet te laf om zelf mee te gaan, waar ik nog jaren spijt van heb gehad.
Verdriet mag nooit de reden zijn om je dier bij het laatste afscheid alleen
te laten, ik zal het dan ook nooit meer doen. En hoop dat ze het me kan
vergeven, daarboven in de kattenhemel.
|