Het enige echte Kerstluchtje

Onder gevloek en veel gesteun werd door mijn lieve eega de kerstboom tweehoog de trap op gesjouwd. Ik probeerde zijn onvredelievende kerstuitlatingen te temperen door hem mijn diensten aan te bieden. "Zal ik van deze kant even trekken" riep ik van bovenaan de trap, waar alleen de top van een blauwspar was te zien. "Nee!!!! Blijf er met je….", de rest was niet voor herhaling vatbaar. Dus zal ik dat hier dan ook maar niet doen. Dat er even later ook bij mij enige onchristelijke uitlatingen over mijn lippen vloeide, was niet zozeer zijn schuld, maar meer die van onze kattenschatten. Toen ik me, tegen zijn raad in, voorover bukte om de boom met geweld naar boven te trekken, duwde hij met alle kracht de boom naar boven. Tijger en Speedy hadden eerst op veilige afstand het gestuntel aangekeken, maar waren toen nieuwsgierig naar die wiegelende takken, naast mij neer gestreken. Toen de boom met een vaart naar boven schoot, sprongen ze blazend met hoge rug een meter omhoog en snelde tussen mijn benen door naar veiliger oorden. Door deze kattenmanoeuvre mijn evenwicht verliezend, stortte ik mij als een fan op haar idool, op de onwillige blauwspar. Deze was het helemaal met mijn eens en zakte prompt weer terug in zijn oude positie, namelijk in de knik van de trap en op het figuur wat er zich eronder bevond. Terwijl ik het gevoel had door duizenden naalden geprikt te worden, startte mijn man en ik tweestemmig een hartgrondige kersttirade.

Uiteindelijk, na een hoop gestuntel, stond de boom op zijn vaste plekje naast de open haard. "Waarom jij altijd een echte boom moet hebben en dan ook nog eentje die tot aan het plafond reikt, is voor mij een raadsel," mopperde mijn wederhelft terwijl hij zich ontdeed van de naalden die hem zelf op een kerstboom deed lijken. "Voor de dennenlucht natuurlijk" zei ik, "heerlijk als je van buiten komt en de echte kerstgeur je tegemoet komt en ik vind een grote boom mooi". "Het is een spar dus je kan geen dennenlucht ruiken" mopperde hij, als altijd het laatste woord willen hebben, terug. "Pak jij nu maar de kerstdozen van de vliering, dan ga ik jouw spar optuigen". Morrend verdween hij naar boven. Speedy en Tijger waren intussen met dikke staarten weer binnen gekomen. Voorzichtig werd de vreemde boomindringer niezend aan een onderzoek onderworpen. "Heb je mij nog nodig?" vroeg manlief overbodig. "Nee ga jij maar naar bed, laat mij maar begaan".

Ik wilde liever zonder, zijn goedbedoelde, commentaar zelf de boom optuigen. Maar ik had buiten de kattenheren Speedy en Tijger gerekend. Overal zaten ze in en op. Hing ik aan de ene kant de ballen er in, Speedy sloeg ze weer aan de andere kant er uit. Speedy, die intussen tot een grote witte kater was uitgegroeid, gooide zich op een gegeven ogenblik zelfs met zijn volle gewicht in de boom. Gelukkig had mijn man de boom met een touwtje aan de muur verankert anders was het leed niet te overzien geweest. "Allebei er uit", commandeerde ik de deugnieten. "Ga de baas maar pesten" en bonjourde ze allebei de slaapkamer in.

Een roggelend geluid weerklonk vanaf de echtelijke sponde uit het duister. Speedy die tot de conclusie kwam dat zijn baasje in bed lag, was met zijn volle gewicht op de maag van zijn, in diepe slaap verzonken, slachtoffer gesprongen. Snel sloot ik de deur voordat ie bij zijn positieven kwam. De rest van de avond kon ik in alle rust de blauwspar in zijn feesttooi zetten. Het was drie uur 's nachts toen ik op mijn tenen de slaapkamer in kwam. Naast mijn man lagen Speedy en Tijger in diepe rust. Snel schoof ik er naast. Op de dertig centimeter matras, die voor mij was overgebleven, viel ik uitgeput in slaap. De volgende dag stond Speedy als eerste met zijn neus voor de boom. Snel joeg ik hem weg. Ouwe Tijger was wat gemoedelijker. Nadat hij alles had besnuffeld, rolde hij zich op in een lege kerstdoos en viel in slaap. Toen Speedy, door mij herhaaldelijk gewaarschuwd, geen lengte meer bij de boom kreeg werd zijn aandacht getrokken door de ingepakte pakjes bij de haard. Nieuwsgierig rook hij aan ieder pakje. "Je kon er natuurlijk ook dwars overheen banjeren". Tijger was gelijk weer wakker en dacht wat Speedy kan, dat kan ik ook. En ik als fotograaffanaat, legde het weer vast. Totdat ik een onheilspellend gekraak hoorde. Een van de cadeautjes had, van deze zware jongens, het onderspit gedolven. Snel joeg ik ze weg.

Wrijvend over zijn maag kwam m'n man de kamer in. Zijn slaap uit zijn ogen wrijvend zei hij, "Zeker iets verkeerd gegeten gisteren, ik heb een beetje last van mijn maag". Met mijn ogen op zijn maagprobleem, Speedy, gericht zei ik, "Kleed je maar gauw aan dan kan je mij helpen met de kerstboodschappen, het zal wel druk zijn in de winkels".

Na de koffie gingen we op pad om een paar uur later beladen met boodschappen terug te keren. Vanaf de trap kwam ons een penetrante lucht tege- moet. "Lekkere dennenlucht" schamperde mijn wederhelft, "heerlijk die kerstlucht hoor".

In de kamer was de lucht het sterkst. Gadver de gatver, de lucht kwam bij de boom vandaag. "Wat een zeiklucht", beaamde ik nu ook. "Waar heb je die boom gekocht? Het lijkt wel kattenpis". "Gewoon bij de kerstboomverkoper op de hoek bij de Nunspeetlaan". Maar volgens mij rook ie gisteren nog niet zo hoor". Ik draaide mij om naar Tijger en Speedy, "Dat hebben jullie mij toch niet geflikt he?" Tijger keek mij met een gekwetste blik aan, "Het enigste vocht dat ik hier achterlaat is af en toe een druppel kwijl, en dat komt omdat jullie mij knuffelen", leek hij te zeggen. Speedy stond hooghartig op, streelde even langs mijn been en liep richting boom. Met een katermannelijke draai gooide hij zijn achterlijf richting boom, stak zijn staart trillend omhoog en sproeide, met een precisie gerichte straal, kindje Jezus uit zijn kribbetje. De stal onder de kerstboom was in een openbaar kattenurinoir veranderd. Krijsend vloog ik naar Speedy en zette hem buiten op het balkon, waar zich in een open kast de kattenbak bevond. "Hier moet je zeiken!", zei ik ziedend van woede.

Speedy keek mij onbegrijpend aan en snelde door het kattenluikje weer naar binnen. Met een vaart vloog hij weer de huiskamer binnen zette zich in positie, en gaf nu Jozef een douchebeurt. "Is ie nu helemaal gek geworden" gilde ik het uit. "Het huis is vergeven van de kattenpis". "Had je maar niet zo sterk geurende boom moeten nemen", gaf mijn man mij te kennen, "daar kan die natuurlijk niet tegen en wil hij de geur overtreffen".

"Ik ga de dierenarts bellen wat ik hier mee aan moet". "Hij moet geholpen worden anders blijft ie sproeien," was zijn advies. "Maar hij is nog geen jaar?!". "Het kan al gebeuren vanaf negen maanden". "Kan ik vandaag nog terecht? Want zoals u weet staan de kerstdagen voor de deur en hij besproeid de hele boom". Intussen was Speedy ook met de lege kerstdozen begonnen. Alles werd in een stinkend gele nevel gehuld. Gelukkig kon ik de volgende dag bij de dierenarts terecht.De dierenartspraktijk was vlak bij ons om de hoek in de Terletstraat.

Aan het eind van de dag kon ik hem weer ophalen. "Leg hem maar in een doos met een laag oude handdoeken, want hij zal waarschijnlijk zijn urine laten lopen", zei de dierenarts terwijl hij mij, een nog in diepe narcose gedompelde, Speedy overhandigde. "En hem vooral warm houden". Even later lag, voor de verwarming in een grote doos, ons slachtoffer bij te komen. Medelijden overspoelde mijn hart, bij de aanblik van dat grote witte kattenlijf, dat aan de achterzijde geel en roze was verkleurd door de urinelozingen en bloed. Toen hij weer bij kwam wilde hij uit de doos klimmen, maar rolde, nog helemaal wezenloos, prompt weer om. Hij wilde maar een ding, namelijk bij mijn man op schoot. Hoe vaak ik hem ook terug in de doos stopte, hij klom er net zo hard weer uit. Er was maar een remedie. Ik pakte de onwelriekende doos met Speedy en al op en plantte hem op de schoot bij manlief. Hier was Speedy het mee eens. En liet zich tevreden wegzakken in de armen Morpheus en van mijn man. Toen ik even later, omringd door bak en braadgeuren van het te voorbereiden kerstmaal, even om de hoek keek zag ik ze, beschenen door de lichtjes van de kerstboom, in diepe slaap gedompeld. Zelfs tijger had zich half over zijn voeten opgerold.

Vredige kerstgevoelens, gevolgd door de dennenpislucht, kwamen mij tegemoet.
Helaas heb ik dat tafereeltje nooit op de gevoelige plaat vastgelegd.
"I'Dreaming Of A White Christmas," kweelde Bing vanuit de radio de kamer in.
"I Dreaming Of A White Speedy," neurie ik zachtjes mee en hoopte dat Speedy weer gauw de oude zou zijn. Twee dagen later werd mijn wens vervuld.
Speedy was weer helemaal terug en zijn streken ook!

Maar dat leverde wel mooie plaatjes op. Ooit zulke schattige kerstkaarten gezien?

Het is uiteindelijk toch nog een leuke kerst geworden. De stal werd met inhoud en al, om uit te waaien, verbannen naar het balkon. Speedy had zich bij de, niet meer sproeiende, gecastreerde katerclub van Tijger aangesloten. En soldaat (huzaar) Tony kwam thuis met kerstverlof. "Hè, wat gezellig, maar…ehhh.., wat stinkt het hier?!" waren zijn eerste woorden bij binnenkomst. "Dat is de enige echte kerstlucht van de blauwspar van je moeder," antwoordde mijn wederhelft laconiek. Ik zei niets. Mijn kerstgevoel, zelfs met een luchtje, kon niet meer stuk!

Iedereen diervriendelijke feestdagen gewenst!

Anja

 

Tot volgend jaar met een vervolg op de
belevenissen van Tijger en Speedy.