Lodewijk

We kregen Loodje (Lodewijk) onverwacht, op een zomerse vroege avond, eigenlijk nog tijdens het avondeten. Een oude bekende was in een nieuwe relatie verwikkeld en zijn nieuwe betere helft bracht drie katten mee, dus voor Loodje (later werd dat: Lotje) was geen plaats meer. Exit Lotje bij oude baasje, welkom Lotje bij nieuwe baasjes.

Wij hadden met onze twee honden pas een nieuw groot huis betrokken met minstens net zoveel kamers als in ons beider harten, dus voor Lotje was nog plaats genoeg. Alleen wel een hele omschakeling, met zo'n handenbinder thuis; je kunt niet meer een dag of een weekend wegblijven. Honden neem je gewoon mee, katten veel minder makkelijk. Periodiek (maar eigenlijk: doorlopend) overal kattenharen en frequente afzeggingen van allergisch reagerende vrienden.
Geen punt.

Lotje was een glanzend zwarte kater, met gele ogen en een fel rode tong. Zo ergens tussen de 7 en 8 jaar in, zeer vitaal, niet geholpen dus sterk geneigd zijn territorium af te bakenen met geurvlaggen. Ik was eerst niet zo'n kattenliefhebber, traditioneel meer een hondenman, veel naar buiten, door weer en wind, veel handdoeken gebruiken voor natte grote langharige hond en kleine kortharige vuilnisbak met Queen Anne-pootjes.

Het eerste dat wij meemaakten, was dat Lotje, waarschijnlijk zijn frustratie over de plotselinge transfer afreagerend, onze grote plantenbakken als urinoirs vorderde. Soms leek hij wel een mijnwerker die in een dagmijn aan het graven was, de natte aarde zat tot in de boekenkast. Over de plantenbakken hebben wij kippengaas gespannen, de kattenbak nadrukkelijk wat meer in het zicht gezet. We signaleerden hem daarna tot onze geruststelling regelmatig op de korrels, als hij met ogen dichtgeknepen zijn bijdrage leverde aan het nut van de geurvreters. Behang was aanvankelijk uitermate geschikt om te schrapen en de honden werden -met zichtbare tegenzin- gedoogd. Lot liet een lodderig oog op mij vallen voor de vacature van major domus, butler c.q.eerste bediende..

Het kostte enige tijd en moeite een gelijkwaardig contact met deze middelbare heer aan te knopen, maar toen dat was gerealiseerd en wij op voet van jij-en-jou verkeerden, bleek hij zwaar mee te vallen. Gevoel voor humor, soms zelfs bescheidenheid, aanhaligheid die soms zelf nichterige trekjes had.

Lot ging -op korte ritjes- zelfs mee met de auto, altijd met zijn kopje op mijn rechterschouder, altijd stormvast met vier klauwen verankerd in mijn schoudervullingen, trui, overhemd dus 's-zomers meestal in mijn vel, zichzelf klemzettend tussen hoofdsteun en mijn nekharen. Nooit bewegend, altijd snorrend. Gelukkig nooit politiecontrole gehad, politieagenten begrijpen dit soort zielsverbondenheid niet; die emmeren alleen over verkeersveiligheid, eigen verantwoordelijkheid en aangesnoerde veiligheidsgordels. Als Lot een speelse bui had, kietelde hij met de punt van zijn staart mijn linkeroor en soms mijn linkerbrillenglas, als imitatie-ruitenwisser, soms zelfs mijn linkerneusgat. Kilometers lol hebben we gehad.

Als ik thuis kwam van mijn werk, moest ik altijd eerst de honden uitlaten, dat wist Lot. Daarna gezamenlijk eten klaarmaken, dat kon nog net. Maar bij het eten begon de opstand al, op tafel springen, treiterig met sla- en juskommen schuiven, bestek van tafel schuiven en meer van dat soort relgedrag. Provocerend, dus duidelijk zichtbaar, van bloemen eten, de vogeltjes piepkleine hartverzakkinkjes bezorgend en steeds die gele slangenogen op mij gericht. Op elke woordelijke vermaning de staart spasmodisch zwiepend en -heel even- kaarsrecht omhoog, bijna als het huidige gebaar met de middelvinger. Ik verdenk hem er nu nóg van dat ook zo bedoeld te hebben.

Tijdens het TV-nieuws werd de terreur verder opgevoerd, soms dermate kwetsend en krabbelend, dat er bij ons wel eens een kat van de ene naar de andere bank werd gekatapulteerd. Dan wist de smiecht dat hij te ver was gegaan en kwam hij braaf terug, de mediterende yogi uithangend. Zittend naast mij, op de brede leuning van de stoffen bank, gaf alleen zijn soms flitsend bewegende staart aan dat hij er nog was. Een schitterende show: meneer deed of hij sliep: de ogen gesloten, het lijf bewegend als in slaap, de knalrode tong uit de bek, een langzame slagzij makend. Totdat de hoek te groot werd en de heer Lodewijk omkiepte, wel met twintig nagels duidelijk hoorbaar in de stoffen bekleding verankerd.

De volgende fase was immer hetzelfde ritueel: eerst op schoot, zich ingravend als ooit een dienstplichtige in een schuttersputje, mijn benen dwingend in de voor hem gemakkelijkste houding en dan langzaam bergopwaarts de hindernisbaan op. Soms zat de krant in de weg: maar daar kun je onderdoor, dan een fikse klauw in de stropdas en langzaam verder naar boven totdat wij neus aan neus verkeerden. De nagels diep in mijn bekleding, de achterpoten op navelhoogte en een blik van: "wij gaan elkaar nu geen pijn doen hè?". Dan kwamen eerst de verplichte oefeningen, kopjes geven tegen mijn onderkaak, de oren wrijven tegen mijn wangen en als ik hem dan nog niet had aangehaald werden de vrije oefeningen (zwaardere middelen) aangewend, zoals keren (een draai van 360°) tussen de tweede en vijfde overhemd knoop van bovenaf, met hier en daar (vlees)hakende nagels, ruiken op het hoofd daarbij de voorpootnagels gebruikend als alpinisten dat doen met jetton haken en kopstoten die de vullingen in mijn kiezen deden rinkelen en het herhaald verschuiven van de bril. Als hij dan nog niet de door hem gewenste aandacht kreeg, was het sluitstuk altijd tergend langzaam abseilen via de stropdas. We hebben meerdere malen dagenlang niet tegen elkaar gesproken, vooral als het zijden stropdassen betrof. Lot was daar zeer principieel in; hij liet zich niet lijmen met een tartaartje of harinkje.

We kregen nog een kat, een erfenis van een overleden vriend. Moortje, een zwart-witte poes, model theemuts, vastbesloten levenslang te rouwen om haar overleden levensgezel. Moortje was nogal morsig in haar hygiëne (zoals oudere weduwes zichzelf soms verwaarlozen), vooral op de kattenbak. Van de weeromstuit zocht Lot weer de bloembakken op. Het duurde een tijd voor er een nieuwe balans gevonden was in de onderlinge verstandhouding. Moortje was geen aanhalig type, geholpen en bijgevolg allergisch voor hormonale toenadering. Ik heb Lot meerdere malen zien staan in de aanloop naar een procreatieve handeling, maar wegens gebrek aan respons, zich vertwijfeld zien afvragen wat, hoe en waarom dit ook al weer moest. Dat was dus geen kat-in-het-bakkie.

Ik had al verteld dat Lot gevoel voor humor had, soms erg zwarte humor, net zo zwart als hijzelf. Het was zomer, mijn vrouw en ik achtten het bedtijd en riepen de katten binnen. Moortje kwam aangehobbeld, maar Lotje reageerde niet op het bekende sissende fluitje tussen de tanden. Kort en goed, anderhalf uur later zeiden we: "Hij zoekt het maar uit, wij gaan naar bed". Maar dat zat ons toch niet lekker, je vraagt je af waar je verwenste dierbare huisgenoot uithangt. Voor de deur was een tamelijk drukke verbindingsweg tussen twee hoofdwegen, je denkt aan wat er soms met katten gebeurt; "flats" en je hebt een vloerkleedje, zomaar. Dus je doet geen oog dicht. 's-Nachts om half drie derhalve nog een keer de straat op, fluiten, roepen…. Geen reactie. Kwaad en ongerust aanvankelijk, maar allengs minder kwaad en meer ongerust. Tenslotte nog eens vanaf het balkon van de slaapkamer een sissend "Lotje" om de achterburen niet te storen in hún nachtrust. Uiteindelijk kwam er een reactie, vanuit een drogende dekbedhoes aan de waslijn. Mijnheer had alle wanhoop gehoord en genegeerd en ervan genoten en was rustig blijven bungelen in zijn hangmat. Er in gevallen of er in gedoken, hij heeft het nooit onthuld. Hij was een meester in het onderdrukken van respons op geconditioneerde reflexen.

Zo ook een keer, weinig later; wéér weg. Weer geen reactie op gefloten en gesiste smeekbeden. Mijn vrouw en ik als nachtbrakers de buurt aan het afstruinen, de honden hun nachtrust ontrovend: "Zoek Lotje, hé, zoek Lotje". Volkomen vruchteloos. Uiteindelijk weer diep in de nacht thuis. Ik til de dekens op en laat mij uitgeput op bed vallen en nog voor ik helemaal plat lig staan er vier kattenklauwen in mijn pyamarug. Lotje had zich onder het dekbed gewrongen en was daar in slaap gevallen. Een van de hobby's van Lotje was slapen, zoals die van de getekende kat Garfield, slapen, smikkelen en aandacht vragen en krijgen.

Een keer meenden we echt dat we hem kwijt waren. Vrijdagavond niet op maaltijd-tijd verschenen terwijl zijn maagklok de nauwkeurigheid van een kwartsuurwerk had.. Roepen, fluiten, alles zonder gevolg. De nacht van vrijdag op zaterdag slapeloos doorgebracht. Zaterdags geen boodschappen gedaan want ja: Lotje kon terugkomen en die moet dan naar binnen, eten en drinken. Want als dierenliefhebber neig je al snel tot het projecteren van menselijke behoeftes op dieren. Zaterdag dierenasiels gebeld, politie gebeld, geen stem meer over van roepen en fluiten. Zaterdagavond diepe verslagenheid, zaterdagnacht denken aan het ergste. Zoektochten in de buurt te voet en op de fiets met stoffer en blik in gedachten. Zondagmorgen weer op pad met de honden -allemaal zonder resultaat-. Maar je wilt er niet aan, dat je hem de laatste keer gezien zou hebben, dus verder tussen hoop en vrees. Zondagavond televisiekijken zonder dat je weet waar het over gaat, voordeur open, achterdeur dicht, achterdeur en voordeur open.
Volkomen zinloos de vlizotrap naar de zolder op en af. Immers, geen kat trekt een vlizotrap naar beneden om op zolder te gaan slapen. Telefoontjes beantwoorden op de automatische piloot: "wie belde er nou…?" "Geen idee!". Zondagnacht samen treuren om de verloren zoon, herinneringen ophalen

Dan komt maandagmorgen, weer aan het werk, maar niet gemotiveerd. Bouwvakkers hervatten om half acht hun klus aan de vrijstaande woningen achter ons, het werk schiet al op, alle huizen zijn al glasdicht. Opeens klinkt een rauwe bouwvakvloek (waarschijnlijk tengevolge van een ongewenste kattentatoeage) en nog geen tien seconden later staan we oog in oog met de verloren geachte Lotje
Duidelijk vermagerd, geen stem meer over, nagels helemaal afgesleten en met een waanzinnige blik in de ogen: "Doe dat n-o-o-i-t weer". Mijn vrouw en ik waren dus allebei te laat op ons werk, moesten eerst nog een kipfiletje halen en bakken, ongeveer een half uur Lotje aaien en elkaar onderling gelukwensen..

Lotje had zich laten insluiten in de bijna gereed zijnde nieuwbouw en ons waarschijnlijk evenzeer gemist als wij hem, zijn gesnor was balsem op twee geteisterde zielen. De honden besnuffelden hem enthousiast alsof hij een snuffelpaal was. Hij stonk naar bouwstof en cement, maar voor ons kwam hij rechtsreeks van Coco Chanel vandaan. Moortje trok haar pootjes onder zich en gaf geen krimp.

Nog één bewijs van Lotje's humor. Mijn vrouw was gecharmeerd van weinig winkelbezoek, dus veel inkopen en vervolgens invriezen. Een goede gewoonte was 's-morgens, voor we naar het werk gingen, vlees uit de diepvries te halen en ter ontdooiing in de -uitgeschakelde- elektrische grill te leggen. U weet wel, zo'n Moulinex grill met driekwartdeurtje. Niet de gehele grillruimte werd afgedekt door het deurtje; boven en onder was nog een reepje ruimte over.

Dat ging jarenlang zonder problemen, totdat Lotje in de gaten kreeg dat je met één of twee nagels heel goed zo'n plastic tray met vlees uit de gril kon hengelen. Op een keer hadden wij 's-morgens twee bakjes pepersteaks ter ontdooiing in het oventje gelegd. 's-Avonds thuisgekomen bleek er een bakje uit de oven geroofd, de andere stond er nog, ontdooid en onbeschadigd. Van de geroofde pepersteak restten alleen nog de losse peperkorrels en de opengescheurde verpakking. Lot liep rond met een verwilderde blik in zijn ogen: tegen peperkorrels in die dosering helpt geen water drinken, alleen suiker eten. Maar een kat krijgt geen suiker door de strot. Dus de hitte in keel en maag duurde nog geruime tijd voort voor Lot. Hij heeft die avond discreet zijn bak laten leegeten door Moortje, wat anders minstens tot een snauwerige confrontatie had geleid. Lot's humor was dat hij de tweede tray onaangeroerd liet, waarschijnlijk in de overtuiging dat ook wij onze monden zouden branden aan dit soort voer.

Lotje is toch nog een-en-twintig jaar oud geworden, geen superhoge leeftijd, maar lang genoeg om hem levenslang te missen. Nog steeds als ik zwarte katten zie, doemt Lotje op in mijn gedachten, met zijn typerende slungelige stuitergang, zijn hartveroverende kroeltalent en zijn ogen die steeds aan het woord waren, maar altijd van genegenheid en toewijding spraken. Nog steeds mis ik hem, het is te hopen dat God ook van huisdieren houdt, anders kan de hemel niet compleet zijn.


Leendert, Warmenhuizen