|
| |||
Moor Het was zo vanzelfsprekend dat je er was. Dag in dag uit vonden wij jou, bij thuiskomst bij de deur, om ons te begroeten. Al jouw eigenaardigheden waren voor ons vanzelfsprekend; maar toch typisch Moor. Elke dag rond half zes hypnotiseerde je het vrouwtje om je eten te krijgen. Elke dag kreeg je jouw "bakkie", waarbij je je"lippies" aflikte, alleen al als je het woord bakkie hoorde. Als het vrouwtje naar de WC ging, was het altijd Moortje die de WC-deur met zijn pootjes dicht hield. Dit spelletje heb jij al die jaren gedaan, dat hoorde zo bij Moor. Jouw wau, wau, wau, wau, prrrr, was je steevaste gezegde, zo mauwpraatte je altijd tegen ons aan. We vonden je altijd zo' n gezellige ouwehoer. De pratende kater was
je voor ons. Want riepen wij Moortje, of je nu lag te slapen of niet.. of zaten
wij gewoon tegen je aan te praten, wau, wau wau was altijd jouw antwoord. En hoe
gek was je niet met ons? Altijd kwam je bij mij zitten. Of ik nu wilde of niet,
Moor moest en zou op schoot, nadat jij mij altijd, rijkelijk van "koppies"
voorzag. "Koppies die haast door je heen gingen. O ja Moor, koppies gaf je
maar al te graag. Geef een koppie, was voor jou geen opdracht, maar het moment
om jouw liefde voor ons te laten blijken. Dat deed je maar al te graag; daar was
je altijd mee bezig. En dan dat mooi liggen van jou Moor. Of dat jij je steeds
weer opnieuw aan ons wilde verkopen. Moor, je lag mooi als geen ander. Jij hebt
je aan ons verkocht en goed ook, want wij waren veel meer dan aan je verknocht.
Moortje ik heb die beslissing niet kunnen nemen, ik gaf niet de opdracht tot jouw dood. Als of je dit hebt begrepen, heb jijzelf toen de beslissing over jouw dood genomen. Ons liet je dat schuldgevoel niet houden, jij stierf uit eigener beweging. Wie weet deed je dit voor ons. Moortje, jij was ons "allessie". Al jouw fijne gewoonten zullen wij ons leven heugen. Met etenstijd, bakkietijd en speeltijd zullen wij steeds weer aan je denken. In bed blijven wij jou op bed verwachten. De linnenkast zal altijd voor jou openstaan. Maar niets, helemaal niets mag meer baten. Moor je bent meedogenloos van ons afgenomen, wij zijn jou nu voor altijd kwijt. Maar, jouw geest zullen ze nooit kunnen afnemen, want er was maar één Moor, die wij nimmer meer zullen vergeten. Moor, je ging te jong van ons heen. Jaren hadden wij nog van je willen genieten. Jaren hadden wij je nog veel goeds willen geven. Maar het is voorbij en daaraan moeten wij geloven. Moor rust zacht, je was altijd onze fijnste vriend.
|