De Nachtpoezen.

Het waren van die druilerige dagen die de decembermaand zo typeren. Al dagen droeg de lucht een grijze sluier van wolken waar af en toe een miezerig buitje regen uitviel. De wind liet de reeds lang van de bomen afgevallen blaadjes dwarrelen. De mensen, zo ze al op straat waren, hadden zich diep in hun jassen verscholen. Zeker zo tegen het vallen van de avond spoedden de meesten zich naar huis, waar de warmte en gezelligheid lonkten. Floris en Fleurtje zaten dit alles vanaf hun warme plekje, in de vensterbank voor het keukenraam, gade te slaan. De afgelopen dagen hadden ze met hun immer nieuwsgierige mezenneusjes opgemerkt dat er iets vreemds aan de hand was. Normaal verloren ze tegen de avond hun interesse in hetgeen er buiten gebeurde De afgelopen dagen echter, hadden ze vol verbazing gekeken wat er zich buiten allemaal afspeelde. Overal in de tuinen en voor de ramen van de huizen, verschenen warm, vrolijk brandende slingers van licht,die af en toe leken te dansen op de maat van de wind. Floris vroeg verbaasd: ´Snap jij daar wat van Fleurtje? Ik zou hier best het mijne van willen weten'. ´Natuurlijk,' antwoordde ze, 'ik ook wel maar je weet dat we ábsoluut niet aan de voorkant naar buiten mogen.` Zuchtend keken ze elkaar in een voorlopige berusting aan.

De volgende dag werd hun nieuwsgierigheid nóg groter. Floris, die heerlijk boven in het grote warme bed lag te slapen hoorde Fleurtje opgewonden roepen: ´kom eens gauw kijken!` Hij rekte zich nog eens lui uit. Toen won zijn nieuwsgierigheid het van zijn warme, behaaglijke plekje. Getweeën zaten ze opnieuw voor het raam, toe te kijken hoe ook hún voortuin helemaal versierd werd met mooie kransen en lichtjes.

Op het zinken tafeltje vlak onder het raam werden schalen met fruit en nootjes voor de vogeltjes neergezet. Dus dát was waar de baasjes gisteravond tijdens het avondeten over spraken. Er werd gesproken over een feest dat kerstmis heet. Al die vrolijke versiering hoorde daarbij, kerstsfeer, noemde vrouwtje dat. Er zou zélfs een grote boom in huis komen! .…Feest…? Voor Floris en Fleurtje betekend feest dat je af en toe wat gekookte vis krijgt, of dat vrouwtje nieuwe muisjes en balletjes koopt, om mee te spelen. Al luisterend begrepen ze dat het kerstfeest een 'mensenfeest' was. Hun ´mezenoren`spitsten zich toen het over eten ging. Vrouwtje opperde, we doen dit jaar natuurlijk wat extra's en gezelligs met kerst, maar niet al te overdreven, vinden jullie ook niet?' Dat heeft niets te maken met de kerstgedachte. Kerst gedachte? …wat zou dat nu weer zijn? Floris en Fleurtje werden op hun wenken bediend toen vrouwtje verder ging en zei: ´er is al zoveel armoede, ellende en onrecht in de wereld, niet alleen bij mensen maar ook bij zoveel dieren'. Met een vragende blik in hun ogen keek het tweetel elkaar aan. Bij dieren? Wat bedoelde vrouwtje toch? Fleurtje zei: 'weet je Floris, misschien wordt met dierenellende bedoeld wat we op tv zien. We kijken toch zo graag dierenprogramma's? Daarin zien we zo vaak dingen die we niet leuk, vaak zielig en soms eng vinden. Ik droom er wel eens van, jij toch ook?' Floris knikte en zei: 'nou reken maar, ik kruip dan om me weer wat veiliger te voelen extra dicht tegen jou aan'.

De volgende dag waren ze het gesprek alweer vergeten en dachten niet alleen aan de kerstboom die, die avond in huis zou komen, maar vóóral aan hun bijna niet te bedwingen nieuwsgierigheid, om al dat moois buiten aan een nader onderzoek te onderwerpen. 'Fleurtje …' sprak Floris, ´wat vind jij, zullen we proberen om stiekem even naar buiten te glippen?` 'Ik durf niet zo goed', antwoordde ze. 'Hoe moeten we dat dan doen en wat als vrouwtje het ziet?' 'Héél eventjes maar joh,' zei Floris. Al snel liet Fleurtje zich overhalen. Gezamenlijk smeedden ze het plan, om zich die avond onder de trap bij de voordeur te verstoppen om te proberen op een goed moment naar buiten te glippen. Toen de avond was gevallen en het vrouwtje weg was om de kerstboom te kopen, namen ze hun positie in. Met een, toch wel angstig kloppend hart, zaten ze te wachtten op hun kans, hét juiste moment. Niet lang daarna hoorden ze de voordeur opengaan. Een énorme boom werd met moeite het huis binnengesleept. De voordeur stond wagenwijd open. Het mezenspan keek elkaar aan en zeiden vrijwel tegelijkertijd: 'NU!' …. Zachtjes slopen ze naar buiten, keken nog even achterom, maar vrouwtje had niets in de gaten en even later was de voordeur dicht.

'We blijven wel in de voortuin hoor Floris'…, zei Fleurtje. 'Kijk eens,' riep Floris opgewonden, 'wat leuk al die slingers!' Met hun pootjes tikten ze er zachtjes tegenaan, samen met de wind, die ook meedeed was dat een leuk spel. Het vogeltafeltje werd nader onderzocht, tót hun aandacht werd getrokken door gemiauw. Al snel was het voornemen om in de voortuin te blijven vergeten. Hier moesten ze het hunne van weten, deze 'stem' kenden ze niet. Na even rondsnuffelen zagen ze onder een auto een vreemde poes zitten, grijs gestreept met witte vlekken, 'Hé,' zeiden ze, 'we kennen jou niet, ben jij ook stiekem naar buiten geglipt?' 'Nee hoor,' zei de vreemdeling, 'ik ben een nachtpoes. ´s Avonds en ´nachts ben ik altijd buiten'. 'Waarom? ,dat is toch veel te koud!,' riep het ondeugende duo in koor. 'Tja, leuk is anders maar ik ben het zo gewend, ik mag alleen overdag een poosje binnen, maar wie zijn jullie en hoe heten jullie?', vroeg de vreemdeling. 'Wij zijn Floris en Fleurtje en jij?' 'Ik heet Tijgertje en woon daar'. Hij wees naar een vrolijk verlicht huis waar een prachtige ster voor het raam brandde. Fleurtje vroeg: ´maar waar slaap je dan en hoe moet het dan als het regent?`. Alleen het idee al deed haar huiveren. 'Ach zomers valt het best mee hoor,' antwoordde Tijgertje. ´s Winters vind ik altijd wel een ergens een beschut plekje, na eerst met mijn nachtvriendjes, de andere nachtpoezen te hebben gespeeld'. 'Nachtvriendjes?,' vroeg Floris, 'zijn er dan nog meer poezen buiten 's nachts?' 'Ja hoor, kom maar mee, het is hier een stukje verderop, op het plein, daar ontmoeten we elkaar'. Even twijfelden Floris en Fleurtje andermaal won, ondanks de kou hun nieuwsgierigheid al snel. Ze liepen achter Tijgertje aan, óp naar het plein. 'Hé Tijgertje,' riep een grote zwarte kat, 'wie heb je daar nu bij je?' 'Dat zijn mijn nieuwe vriendjes, Floris en Fleurtje'. De zwarte kat keek een beetje vreemd maar toch met een vriendelijke blik, naar het in zijn ogen vreemd uitziende 'tweetal' 'Hoi', zei hij, 'ik ben Moortje, zijn jullie ook nachtpoezen?' 'Nee', zei Fleurtje, 'wij wisten helemaal niet dat die bestaan'. Tijgertje en Moortje keken elkaar meewarig aan. 'Joh,' zeiden ze, 'er zijn hier ook genoeg poezen die helemaal geen huis hebben. Kom maar mee, ik weet waar er een paar zijn, dan kunnen jullie die ook ontmoeten'. 'Is het ver?', vroeg Fleurtje bibberend, 'ik heb het zo koud'. 'Nee hoor en het is daar best lekker warm, dan kom je gewoon tussen ons allemaal inzitten'.

De plek waar ze naar toegingen bleek een kleine brandweerkazerne te zijn. Door een gat in een ruitje kropen ze naar binnen. 'Jongens, riep Moortje, ''kom eens kijken?' Uit een donker hoekje kwamen twee poezen te voorschijn 'Wie hebben jullie daar bij je?', vroegen ze verbaasd. Een rode en een zwart wit gevlekte poes keken naar de twee nieuwkomers. 'Ik ben Floris en dit is mijn zusje Fleurtje en hoe heten jullie?' 'Wij hebben geen naam, we heten gewoon poes. 'Floris werd nieuwsgieriger en nieuwsgieriger… 'Zijn jullie hier de hele dag?', vroeg hij.

'Nee joh, alleen als het koud is en we rustig willen slapen. De rest van de dag zijn we veel buiten op zoek naar eten'. 'Huhhh, waar halen jullie dat dan vandaan?' De verbazing op de toetjes van het ´mezenduo` werd groter en groter. 'Oh, er is soms wel een vuilnisbak te vinden die niet goed dicht is, we eten brood wat de mensen voor de vogels strooien of vangen muizen en vogeltjes. Soms als we een paar dagen niets te eten kunnen vinden, blijven we hier en liggen lekker bij elkaar, dan voelen we de knagen van onze maagjes niet zo'. Fleurtje werd er verdrietig van en vroeg met een 'dik' stemmetje: 'hebben jullie dan écht helemaal geen mensen die voor jullie zorgen?' 'Oh jawel hoor…toen we héél klein waren nog wel. Toen we groter werden en geen schattige kleine kittentjes meer waren wilden ze ons niet meer en zijn we op straat gezet'. 'Sommige katten', ging één van de poezen zonder naam verder, 'hebben geluk die worden dan naar een dierentehuis gebracht en daar zoeken ze dan een nieuw baasje, eentje waar je wél welkom bent'. Aha, dat herkenden Floris en Fleurtje, bij hen in huis leefde ook een kat uit zo'n tehuis, hun vriendje Einstein. Floris en Fleurtje zaten nog vol vragen… Toch zei Fleurtje: ´moeten we niet terug naar huis, vrouwtje is vast ongerust en wordt zéker boos als we nóg langer weblijven'. 'Mogen we met jullie mee?', vroegen de nachtpoezen.
'Dan weten we waar jullie wonen en kunnen we regelmatig op bezoek komen'. 'Natúúrlijk!', spraken Floris en Fleurtje in koor, 'kom maar mee'. Gezessen gingen ze op weg. Buiten, hoorden ze in de verte de ongeruste stem van vrouwtje roepen. Zo snel ze konden renden ze met zijn allen richting huis. Toen het poezenspan de hoek om kwam, en op vrouwtje afrenden, tilde ze gauw de Mezen op en zei quasi boos… 'lieverds, waar zijn jullie toch geweest, ik heb me dóódongerust gemaakt'. Even later viel haar oog op het vreemde viertal en vroeg: 'wie zijn dát nu dan toch jongens?' 'Dat zijn de nachtpoezen, onze nieuwe vriendjes, ze mogen 's nachts niet binnen en die rode en zwart witte hebben geen eten en geen huis, en, en, en…'. Floris en Fleurtje struikelden over hun eigen woorden, ze hadden ook zoveel te vertellen. 'Kunnen ze niet bij ons komen wonen?' 'Nee lieverds, dat gaat écht niet, maar wat we wél kunnen doen is, proberen een nieuw baasje voor ze te vinden, waar ze het net zo fijn hebben als jullie. Weet je, nu het bijna Kerst is denken mensen meer na over het vele onrecht en de ellende in de wereld en willen iets daartegen doen. Dat heet de Kerstgedachte jongens, en met die gedachte in hun hoofd zijn er vast, lieve mensen te vinden die jullie vriendjes graag een fijn thuis geven. Weet je wat', sprak vrouwtje, tegen het ´poezenviertal,` 'tót het zover is, maken wij onder het grote afdak in de tuin voor jullie een zachte, warme, droge slaapplaats en krijgen jullie elke dag, net zoveel te eten tot jullie buikjes rond zijn'. Blij en voldaan keken Floris en Fleurtje naar hun vriendjes, en zeiden opgewonden`hebben jullie dat gehoord? Fijn, dan zien we jullie ook elke dag en als het lukt, hebben jullie snel een nieuw baasje!' …De nachtpoezen keken met een vermoeide maar hoopvolle, blije blik in hun ogen omhoog naar het vrouwtje van hun nieuwe vriendjes…. 'Kom Floris en Fleurtje' zei vrouwtje, 'jullie nu gauw naar binnen het is véél te koud, straks worden jullie ziek'.

'Wachten jullie even lieve nachtpoezen, dan kom ik jullie een warm bedje en eten brengen'. Vrouwtje ging gelijk aan de slag. Ze maakte snel van een enorme doos het beloofde warme plekje met een paar dikke moltons erin, om vervolgens een grote bak voer klaar te maken? Eenmaal weer buiten hoorden ze haar zeggen, :´kijk eens jongens, voor jullie`. Terwijl de nachtpoezen gretig aten, krabbelde vrouwtje ze liefdevol achter hun oor en vroeg:´Beloven jullie dat jullie vanaf nu elke dag komen eten tot we een lief baasje voor jullie hebben gevonden?'

Floris en Fleurtje zaten tevreden voor het raam te kijken hoe hun vriendjes weden verwend. En slaakten een zucht van verlichting. Nadat het poezenkwartet was uitgegeten, kropen ze hun nieuwe warme bed in, waar ze vrijwel direct, lekker opgerold tegen elkaar, in slaap vielen. Later die avond lagen Floris en Fleurtje doodmoe van alle belevenissen rond hun escapade bij vrouwtje op schoot, die hen liefdevol aaide, ze zei: ´weten jullie nog dat we gisteren over de kerstgedachte spraken…over armoede en onrecht? Ik ben zo trots op jullie, poezenkinderen hebben écht begrepen wat de kerstgedachte inhoud, daar kunnen veel mensen een voorbeeld aannemen!'