Ons Lot(je)!

De voordeurbel rinkelde zo alarmerend, dat ik van mijn stoel omhoog vloog. Ik zat aan tafel achter de naaimachine, iets onbenulligs te herstellen. Herinner me die dag nog als de dag van gisteren, een zwoele zaterdagnamiddag omstreeks half vijf in de middag. Ik opende de voordeur met een gevoel van "wat nou weer?! ". Daar stonden twee meisjes, met een zielig hoopje in hun handen. Ik kon op dat moment niet overzien wat mij boven mijn hoofd hing en nog ging hangen. Mijn blik viel op een wit-zwart gevalletje, dat schichtig heen een weer kronkelde en zich uit deze positie wilde bevrijden. Het was overduidelijk een katje, die het niet eens was met de situatie waar het in verkeerde. Ik keek de meisjes vragend aan en zij keken op dezelfde manier terug. Even was het stil en dat was genoeg voor mij, om te zien dat het wit-zwartje, die zij vasthielden, mij wel beviel. De stilte werd zowel door mij, als ook door de meisjes, onderbroken met woorden die op dat moment niet belangrijk en ook niet verstaanbaar waren. Tja, na wat gebrabbel heen en weer, bleek dat zij het diertje hadden gevonden, in een boompje langs de weg, waar ze samen fietsten richting thuisfront. Die afstand was te ver om het katje mee te nemen. Want ja, zoiets doe je niet even onder de snelbinders. Of ik mij misschien wilde ontfermen over het diertje?! Ondertussen dacht ik bij mezelf: "Waarom mijn deurbel?" Het "Lot"(je) zal dat wel beschikt hebben". Dus pakte ik het katje, heb de meisjes bedankt voor hun goede daad en de deur weer dicht gedaan. Boem !! Daar sta je dan in de gang. Ik draaide mij om, richting de huiskamerdeur en keek in drie paar kattenogen, die me vragend aankeken. Door hun voorbij te lopen, liep ik naar de keuken, waar nog eens twee ogen mij vragend aankeken. Dit keer de ogen van mijn man. Hij wierp een blik op mijn handen en het eerste wat hij zei was:"We hebben er al drie dus…… " "Ja ja", riep ik, "ik weet het heus wel, deze kan er niet meer bij. Ik heb haar ook alleen maar aangepakt, om die meisjes te helpen. Ik zal de dierenambulance bellen zodat ze haar komen halen."

Maar, pech gehad. want hun auto stond in de garage, dus het advies was om het dier maar naar het politiebureau te brengen.

In een mandje gepropt, bracht mijn man haar weg. Hij reed weg en ik hervatte mijn onbenullige naaimachinewerk. Even zag ik de steken weer op de stof verschijnen, maar niet lang. Want door mijn tranen heen, zag ik letterlijk geen steek meer. Onbedaarlijk verdrietig over het lot, wat dit diertje te wachten stond. Na een kwartiertje was mijn man terug, ik probeerde mijn tranen te verbergen en ging gewoon verder met wat ik doen moest.

Hij keek me aan en vroeg waarom ik huilde. "Laat me nou maar even, het is zo weer over", zei ik, waarna hij schouderophalend weg liep naar buiten. Een gewoon verdrietje in mezelf over het katje en tegelijkertijd over alle katjes in de wereld, die het moeilijk hebben en over het waarom en waarvoor het allemaal zo moet zijn. "Als ik toch eens één dag God mocht zijn……..verdorie toch !!!!!!!!" Nijdig om alle ellende in de wereld, werkte ik verder, verder en verder. Ik hoorde de achterdeur opengaan en iemand binnenkomen. "Hier dan" hoorde ik zeggen. Ik keek omhoog en daar stond het kattemandje met inhoud weer voor me. Mijn man was teruggereden naar het politiebureau en had Lotje weer opgehaald. Perplex keek ik hem aan en nog voor ik iets kon vragen zei hij: "Dit katje had daar zonder eten moeten blijven zitten tot aanstaande maandag. Ze werd in een hokje gezet, onder een afdakje en er zou tot die tijd verder niemand meer naar haar om hebben gekeken. Want daar kunnen ze op het bureau niet aan beginnen." Er zat ook nog een klein, rood katertje en die had mijn man, uit medelijden, ook nog mee naar huis willen nemen. Maar een vriendelijke agent (goh, dat die er ook nog zijn) wilde er zijn vriendin mee verblijden, dus kwam dat ook helemaal goed. Op een rare zwoele zaterdagnamiddag kreeg ik dus "ons Lotje". "We hebben er al drie", wilde ik nog tegen die meisjes zeggen…..

Helga