|
| |||||
|
SamSam Alweer zo'n kleine tien jaar geleden, kreeg ik een telefoontje van een
oud collegaatje. Met haar had ik een tijdje uiterst plezierig samengewerkt,
in een winkel waar men voor heel veel geld, de illusie van de eeuwige
jeugd en schoonheid kon kopen. Een uiterste chique parfumerie luisterend
naar de veelbelovende naam Maison Esthé. Ondanks het feit dat we
elkaar wat uit het oog waren verloren en lange tijd niet meer met elkaar
gebabbeld hadden, leek het alsof we gisteren nog bij elkaar op de koffie
waren geweest. Alle oude anekdotes en andere voorvallen uit het verleden
passeerden de revue en als vanouds lagen we in de spreekwoordelijke deuk.
Na uitgelachen te zijn over voorbije tijden vroeg ik haar: "wat
doe jij tegenwoordig?" Inmiddels had ze een opleiding tot kraamverzorgster
gevolgd. Een rigoureuze switch van het wonder uit een potje naar een wonder
puur natuur. Dol op baby's als ik ben, luisterde ik naar haar leuke, ontroerende
en soms trieste verhalen. Aan het eind van het gesprek, waarmee we de
kas van de KPN behoorlijk hadden gespekt, stelde ik voor diezelfde week
iets af te spreken, om verder bij te kletsen. Naar bleek was ze aan het
werk in een gezin niet al te ver bij mij vandaan, waarop ik haar voorstelde
gezellig te komen lunchen. "Ben je er even uit," sprak
ik. Met een lichte aarzeling antwoordde ze: "joh het lijkt me
enig, maar deze familie heeft al mijn hulp en aandacht meer dan nodig".
Al snel bleek dat het hier een probleemgezin betrof, ouders met een lichte
verstandelijke achterstand en nu met een vierde kind erbij, had ze haar
handen, ook tijdens de lunch, meer dan vol. En passant vertelde ze er
nog bij dat, als klap op de vuurpijl, één van de katten
een nestje van vijf kittentjes had. De kleintjes waren ongeveer zes weken
oud en scharrelden in de speciaal voor hen afgeschermde keuken bij het
betreffende gezin wat rond.
Zelfs iemand die totaal geen verstand van dieren heeft, kon in één klap zien dat de diertjes zwaar ondervoed waren. Teruglopend naar de vrouw des huize vroeg ik haar wat ze te eten kregen. Dit bleken hondenbrokken te zijn. Een blik op de grote brokken die ze mij liet zien, maakte in één klap duidelijk waarom de kleintjes zo mager waren. Commentaar heb ik niet gegeven, maar dacht om eerlijk te zijn: "dat fokt potdorie bij de raven, maar is niet eens in staat voldoende zorg in de vorm van kittenbrokjes te geven". Zonder er ook maar één seconde over na te denken, vroeg ik of ik ze mee mocht nemen. "Alledrie? Ja alledrie". "Tja, dat moet ik even met mijn man overleggen, want die wil er ééntje houden", was het antwoord. To cut a long story short, ik nam uiteindelijk twee gitzwarte, niet van elkaar te onderscheiden broertjes mee. Met mijn nieuwverworven aanwinst kwam ik thuis. Hoofdschuddend en op zijn zachts gezegd niet bepaald écht enthousiast
werd ik door mijn mannen onthaald. "Mens we kunnen jou ook nooit
even uit het oog verliezen, is het geen katje dat in het water is gedumpt,
dan is het wel weer een andere reden waarom het zogenaamd écht
niet anders kon, houd het dan nooit op met jou?" Nee, blijkbaar
niet dus. Zo onschuldig mogelijk kijkend en handelend als de kat die zich
van geen kwaad bewust is, haalde ik de mannekes uit de doos. Mijn 'mensenmannen'
totaal negerend ging ik met het span aan de slag. Al pratend tegen het
nog naamloze, uitgehongerde stel, gaf ik ze eten, ontwormde ze en zo meer.
Gelukkig bleek dat ze in ieder geval sterk gericht op mensen waren. Het
leken wel twee jonge gansjes, die mij als moeder gans achterna hobbelden,
luid spinnend en wel. Nog wat namopperend volgde na ruim een uur de eerste
toenadering van mijn mannen in de vorm van: "laat eens zien wat
je dan nu weer hebt". "Yesssss!", uit ervaring wist
ik dat dit het eerste teken van overgave was. Korte tijd later gingen
de kleintjes van hand tot hand en kon ik mijn verhaal over hun afkomst
vertellen. Het ach wat zielig en oh wat naar en meer van dit soort uitspraken
werden over de tweelingbroertjes uitgestort.
|