|
| |||||
|
Scoren. Vanmorgen stond ik zoals gebruikelijk met mijn immer slaapdronken kop op. Vrijwel op de tast vind ik mijn weg naar beneden om mijn eerste arbeid van die dag te vervullen: het portiertje spelen voor mijn kattenkinderen, een ondankbare taak. Daar waar een portier nog regelmatig op een fooitje kan rekenen, doe ik dit geheel belangeloos. Het KNMI had de avond ervoor beloofd, dat het een prachtige dag zou worden, derhalve liet ik de tuindeuren dan ook lekker openstaan. Vervolgens begaf ik mij, nog steeds geteisterd door wat ik noem mijn wattenkopsyndroom richting koffiezetapparaat, trachtend het benodigde water en de schepjes koffie voor de verandering eens zónder morsen, op de plaats van bestemming te krijgen Inderdaad.., de keren dat het lukt zijn zeldzaam, om vervolgens in de eerste de beste stoel te ploffen in afwachting van het verlossende gepruttel, dat een eind moet maken aan mijn duffe kop, zijnde het signaal 'koffie is klaar'. Onderwijl probeer ik het eerste ochtendnieuws tot mijn grijze hersenmassa door te laten dringen. Het zal de lezer wellicht niet verbazen, dat ik uiterst in mijn nopjes ben met het feit dat het nieuws 's morgens oneindig vaak wordt herhaald. Voor mensen zo als ik, is dat een uitkomst! Eerst kijk ik en zie 'k een leuke dame of heer, die wat zinnen uitbrabbelt. Zinnen waarvan ik op dat moment me afvraag, of ze niet gewoon Nederlands kunnen praten?! Gaandeweg mijn coffeïnegehalte op een medisch gezien niet écht verantwoord peil brengend, wat niets anders inhoud dat ik in korte tijd zoveel mogelijk kopjes koffie score, wordt het gebrabbel, Nederlands, later zinnen, om uiteindelijk te veranderen in informatie waar een verband in zit. Kortom, nieuws heeft 's ochtends voor mij een heel andere dimensie dan het vergaren van actualiteiten. Nieuws voor mij is dat elke herhaling, tót het moment dat ik weer een béétje weet wie ik ben, nieuw is. Terug naar vanmorgen, wachtend op het verlossende gepruttel van het koffiezetapparaat. Vaag drong tot mij door dat dit vertrouwde geluid anders dan anders klonk. Er klonk een soort gepiep doorheen. Het hoe en waarom was me op dat moment worst .
Kijkend naar het vogeltje, dat inmiddels alleen nog maar geluidloos naar adem hapte, kwamen als vanzelf herinneringen uit mijn jeugd naar boven. In de tuin van mijn ouderlijk huis stond een prachtige grote boom. Ieder jaar op exact dezelfde plek werd er door een koppeltje merels een nestje gebouwd. Vrijwel dagelijks zat ik als klein meisje gefascineerd toe te kijken hoe de aanstaande ouders dagenlang af en aan vlogen met soms in mijn ogen de vreemdste materialen in hun bekjes, om zo een solide huis voor hun kroost te bouwen. Telkens verbaasde ik mij er weer over, met hoeveel toewijding en inspanning het nest tot stand kwam. Du moment het af en aanvliegen ophield, wist ik dat het broeden was begonnen. Af en toe als de ouders, bij hoge uitzondering, allebei even bij het nest vandaan vlogen, zette ik voorzichtig een trap tegen de boom om zo een blik te kunnen werpen op de oogst van dat jaar en kon het afwachten beginnen. Geboortekaartjes rondsturen was absoluut niet nodig, het uitkomen van de eieren werd aan mij na weken geduld, bekend gemaakt, simpelweg doordat het ritueel van af en aanvliegen weer begon, echter nu met voedsel voor de pasgeborenen. Kinderlijk begaan met de drukke nieuwbakken ouders, spitte ik in onze tuin de wormen naar de oppervlakte, in de hoop de ouderlijke taken zo wat te kunnen verlichten. Opnieuw, als ik wist dat beide ouders 'boodschappen' aan het doen waren voor de kleintjes, klom ik weer op de ladder om in stille verwondering de aanblik van het nog jonge spul, allen met hun toetjes naar boven gericht, met wijd opengesperde bekjes wachtend op een nieuwe lading voedsel, in mij op te nemen. Oh wat genoot ik van dit prachtgezicht van moeder natuur.. Helaas was ik nooit de enige die nauwlettend het nest in de gaten hield. Regelmatig signaleerde ik enkele poezen uit de buurt rond mijn vogelboom. Hoeveel ik dan ook van katten mag houden, van mijn vogeltjes moesten ze afblijven. Regelmatig stormde ik naar buiten om ze weg te jagen, me onderwijl zorgen makend wat er kon gebeuren als ik naar school was of 's nachts sliep. Kortom er moest toch iets op te verzinnen zijn! Ooit had ik eens gehoord, of wellicht heb ik het zelf verzonnen, dat katten niet van peper houden. Complete partijen van dit 'nieskruid' werden ingeslagen en iedere dag opnieuw werd dit afschrikmiddel trouw door mij rond de boom gestrooid, zéker als het die dag geregend had. Onverbiddelijk kwam de tijd dat de kleintjes, gestimuleerd door hun ouders, op weg naar zelfstandigheid, moesten leren vliegen. In eerste instantie dacht ik in mijn onwetendheid dat ze uit het nest waren gevallen en zette ze dan ook keer op keer weer terug weg van de boze wereld, terug het veilige nest in Mijn vader hielp me uit de droom en zei: "Meiske, hoe lief ook, dat heeft geen zin, ze volgen vlieglessen". Het onhandige gespartel, waarbij de kleine vleugeltjes hun lijfje amper konden dragen, boezemde me angst in en zorgde voor slapeloze nachten. Immers zo waren ze wel een heel gemakkelijke prooi. Het intense verdriet als onverbiddelijk ieder jaar opnieuw een aantal kleintjes de dood vond, kan ik mij heden ten dage nog glashelder voor de geest halen. Opnieuw terug naar vanmorgen, inmiddels stukken wijzer en de wetten van moeder natuur begrijpend, hoe wreed soms ook, kijk ik naar de merel in zijn doodstrijd. Natuurlijk zal ik daar waar 'k kan, proberen te redden wat er te redden valt, dat is en blijft het kind in mij. Toch heeft vandaag de dag mijn grootste zorg en aandacht, om het slachtoffer zo snel mogelijk te pakken te krijgen, een andere dimensie gekregen. Zéker in het geval van Einstein, puur omdat hij in tegenstelling tot de Mezen, die slechts hun gevangen prooi als ongeschonden geschenk mij komen brengen, zijn prooi van A tot Z ontleed en smikkelt van de blootgelegde inhoud. Hij zou wat dat betreft prima beeldmateriaal opleveren voor een uitzending van het TV station Animal Planet. Dát er een gevaar in schuilt, mag duidelijk zijn. Je weet immers nooit of het beestje iets giftigs heeft gegeten of een ziekte bij zich draagt.
Welnee, vlak voor het avondeten kwam Einstein als klap op de vuurpijl nog aanzetten met een heuse duif. Inmiddels wijs geworden, was hij zo slim om het slachtoffer niet meer mee naar binnen te nemen, maar onder de lage zinken tafel in de tuin, nieuwsgierig gadegeslagen door Floris en Fleurtje, het diertje te ontleden. 'Avonds aan tafel Einstein's score van die dag doornemend, kwamen als vanzelf associaties bij ons naar boven van een conference uit de oude doos van Toon Hermans. De scène waarin Toon auditie doet als goochelaar, uiterst klunzig, en met een Duits aandoend accent. Het stukje rond de duif in deze conference werd meesterlijk door mijn oudste zoon Erik nagespeeld. "Doif ies dôd manneer, doif heeft te lang in het bekje van het schwart-wiette mônster gezeten manneer doiven moeten fladderen manneer " Goed, leuk is en blijft anders. Niet verwonderlijk is het dan ook dat
zodra ik Einstein naar buiten laat dit vergezeld gaat met de woorden:"En
manneke wat ga je vandaag weer scoren?"
|