Zodra ik mijn computer opstart, verschijnt de verontwaardigde kattenkop van onze witte kater, Speedy, op het beeldscherm. Boos kijkt hij mij aan. Boos omdat ik hem, net voordat deze foto werd gemaakt, had geplaagd. Door het beledigde smoelwerk dat hij toen trok, lag ik slap van de lach.

Als hij dat merkte, wierp ie mij een verontwaardigde blik toe en verdween hij hooghartig met opgestoken staart. Op een van die momenten heb ik de foto genomen die hem zo totaal karakteriseert. Daarom heb ik die juist uitgekozen om op mijn bureaublad te installeren. Zo zie ik hem nog iedere dag, en kan ik hem nooit vergeten.

Maar eigenlijk heb ik dit geheugensteuntje niet nodig, want ook zonder PC blijft hij altijd in mijn gedachten. Over deze unieke kat wil ik graag wat schrijven.Het is vandaag 17 December 2002, precies een jaar geleden dat mijn zoon Tony en ik, voorgoed afscheid van hem moesten nemen. Het is ons beiden zwaar gevallen, want bijna negentien jaar verblijdde hij ons huisgezin met zijn aanwezigheid.
Op 23 Maart 1983 is hij geboren, zes weken later kwam hij in ons leventje. Ik kan mij die dag nog goed herinneren…..

De nieuwe huisgenoot

Het was een klein, pluizig wit bolletje, dat net mijn hand vulde. Met grote blauwe, glimmende oogjes keek het me aan. Het kleine bekje opende zich en angstig klonk het "Miauuuuwww".

Onzeker keek het langs mijn hand naar beneden. Het hele lijfje straalde angst uit. Waar is het lekkere grote warme lijf van mijn moeder gebleven?, scheen het te vragen bij elk angstkreetje. Geruststellend aaide ik het trillend kattenlijfje.

Zachte woordjes fluisterend drukte ik het pluizenbolletje tegen mij aan. Langzaam werd het trillen minder en een knorrend geluidje maakte plaats voor het angstige miauwen. Wijd opende het bekje zich en maakte geluidjes. Geeuwend nestelde het pluisje zich in de holte van mijn arm. Alsof het zich had verzoend met de nieuwe situatie, sloot het de oogjes en sliep in. Wij hadden een nieuwe huisgenoot. Nu nog een naam bedenken!

De kennismaking

Na een slapenloze nacht waarin de pluizenbol luidkeels om eten en zijn moeder schreeuwde, viel hij uiteindelijk tegen de ochtend in zijn mandje in slaap. Een paar uur later ging hij, in tegenstelling tot ons, uitgeslapen en wel, op onderzoek uit.
Net toen hij de hoek om wilde gaan naar de gang, kwam onze grote Cyperse kater Tijger, die we eerst uit voorzorg in de logeerkamer hadden opgesloten, vanuit de keuken de kamer in

Met een hoog ruggetje en een dikke staart blies pluizenbol in de richting van de grote kat. Toen Tijger zo dicht was genaderd dat er een grote schaduw over hem viel, hield de kleine, witte pluis het voor gezien. Sneller dan het geluid spoot hij onder veel geblaas en gebrom, weg. Van onder een stoel keek hij angstig waar dat grote monster toch was gebleven. Tony zei, "het lijkt Speedy Gonzales wel". Toen wisten we meteen een naam voor de pluizenbol "Speedy". Ten eerste, omdat hij zo snel was en ten tweede, omdat er in die tijd een schoonmaakmiddel was met dezelfde naam. Volgens de reclameboodschap, maakte dit wondermiddel alle witte tegels weer helder en spierwit schoon. En hagelwit was onze pluizenbol. Vertederd keek ik naar het hoopje kat, dat nog steeds vanuit zijn veilige positie die grote knorrepot van een kater bekeek. Die op zijn beurt weer met verbazing keek naar dat witte katje, het was toch niet toevallig een muis? Daar moest hij het fijne van hebben.

Nieuwsgierig stak hij zijn kop onder de stoel om poolshoogte te nemen en dat vreemde wezentje eens even goed te besnuffelen. Een venijnig geblaas en een haal over zijn neus bekoelde al snel zijn animo om de kennismaking voort te zetten. Met een diep gegrom keerde hij zich om en verdween met hooghartige blik retour keuken. Terwijl hij mij passeerde keek hij me aan met en blik van, "dit kan je me niet aandoen" en verdween onder een soort verontwaardigd kattengemompel grommend en blazend om de hoek.

Tijger was bang dat hij zijn pas verworven plaats in ons huisgezin zou kwijtraken. Een paar maanden voor Speedy bij ons kwam, was Tijger vanuit een dierenasiel bij ons gekomen. Vroeger had ik altijd katten gehad, maar omdat mijn man duiven hield, was ik er niet meer aan begonnen. Ten eerste was mijn man als duivenmelker geen echte kattenliefhebber. Ten tweede was hij bang dat de katten op het dak zouden komen, waar de duiventil zich bevond. De levende duivenwaar zat daar als hapklare brokken voor het grijpen!

Maar toch miste ik een kat om mij heen en zei tegen mijn man, "je zorgt maar dat je een afrastering maakt bij het dak, zodat er geen kat vanaf het balkon naar boven kan komen, want ik wil weer een kat". Na vele discussies waarin ik vaak het onderspit moest delven, was ik nu niet meer van mijn besluit af te brengen. Mijn standvastigheid werd gevoed door de wetenschap, dat de witte kat van kennissen van ons, gezinsuitbreiding stond te wachten. Jaren geleden had ik ook een witte kat gehad: "Witkwast" en nu wilde ik er dolgraag weer een hebben.

Na veel gemopper kreeg ik mijn zin, "als hij maar uit mijn buurt blijft", mompelde mijn man, terwijl hij naar zijn geliefde duiventil verdween. Zoon Tony, die in die tijd het Vaderland verdedigde en zijn verplichte diensttijd uitzat, kwam met weekendverlof thuis en ik vertelde hem het nieuws. Aangezien hij, net als ik, gek op katten is, juichte hij het idee van weer een kat in huis, van harte toe. "Wanneer is het zover," vroeg hij. "Ik denk over een paar maanden," antwoordde ik, "dan pas? Jammer!!" "Maar" vervolgde ik, totaal aan de bezwaren van mijn


Ons huis met duiventil op het dak

kattenhater op het dak voorbijgaand, "waar één kat is kunnen er ook twee zijn. Het is wel leuk om een jong katje te hebben, maar laten we dan ook een oude stumper uit het asiel halen. Dan verrichten we nog een goede daad". "Wanneer?", vroeg mijn zoon hoopvol, "nu", zei ik resoluut, en voor mijn eega weer naar beneden kwam, smeerde ik hem met zoon Tony naar het asiel in Nootdorp. Daarvan had ik in een wekelijkse artikel in de Haagsche Courant gelezen, dat er een oude kater zat die niemand wilde hebben. Bij het asiel aangekomen, werd ons verteld dat de oude kat net geplaatst was. "Oké" zei ik, "dan niet". "Maar wacht even", zei de man achter de balie, die bijna een aspirant voor de plaatsing van een van zijn asielkatten zag verdwijnen. "Ik heb nog een oude kat die hier al maanden zit, misschien wilt u die wel hebben?". "Even kijken mam" zei Tony enthousiast. Ik stemde toe.

Begeleid door veelstemmig geblaf van enkele pensiongasten, werden we naar achteren geleid, waar hartverscheurende geluiden ons tegemoet kwamen. Kattenkopjes, huilden ons to: "neem mij mee!". Andere katten, presenteerden zich zonder geluid als volleerde mannequins met verleidelijke strijkages tegen de tralies.
Ik wilde ze allemaal wel meenemen, maar de gedachten aan mijn man, die ik ter plekke een hartstilstand zou bezorgen, brachten mij van dat idee af. Vanuit een donker hoekje werden we beloerd door een dikke rode kater. Toen Tony spontaan zijn hand uit stak, om hem te aaien, kwam de dikke log overeind. Welwillend stak hij zijn kop in de richting van de uitgestrekte hand. Maar ineens leek het of hij van gedachten veranderde. "Luister eens even", blies hij boos onze richting uit, "je neemt me mee of je neemt me niet mee, ik doe niet mee aan dat gezemel". Stil voor zich uit te staren, zat in de laatste kooi een grote Cyperse kater.

Zonder een woord te miauwen keek hij naar het mensenstel wat zich voor zijn kooi had opgesteld. Met een blik van, "je zal toch wel niet voor mij komen", keek hij ons aan. Hiermee gaf hij te kennen dat hij de hoop allang had opgegeven.
"Dit is de kat", zei de man. Ik keek naar het beestje; met zijn verfrommelde vacht, beschadigde oren, en een snijtand missend, was hij niet bepaald moeders mooiste. Aarzelend stak ik mijn vingers tussen de tralies. De Cyperse reageerde meteen, kwam naar mij toe en begon mijn vingers kopjes te geven. "Ach wat is hij lief hé mam", zei Tony. Alsof hij het er mee eens was, begon de kat, met het idee dat alles nog mogelijk was, enthousiast te spinnen.

"Hoe oud is hij", vroeg ik, "ongeveer tien jaar, hij liep te zwerven, verder is er niets over hem bekend. Hij zit hier nu al bijna een jaar". De Cyperse liep intussen weer terug naar het hoekje in zijn kooi. Met een zucht rolde hij zich op alsof hij dacht, "helaas weer loos alarm". "Ik neem hem", besloot ik en vroeg aan de man "kan ik hem gelijk mee nemen?" "Eigenlijk niet", antwoordde de man, "hij moet nog langs de dierenarts, voordat hij geplaatst mag worden, maandag misschien?!"
"Ik moet weer naar dienst",
zei Tony. "Ja en ik naar mijn werk, dan komen we wel een andere keer terug". De man vermoedend dat de plaatsing van de kat nu op losse schroeven stond, besloot toen kort en bondig, "neemt u hem dan toch maar mee". Uiteindelijk is hij verder gezond. U kan later altijd nog met de kat langs komen voor een controlebeurt". "Hoe heet de kat eigenlijk?" vroeg Tony. "Even kijken, kat 85 Peter" zei de man, terwijl hij de kat uit de kooi haalde en hem in de armen van Tony duwde. De Cyperse begon direct te spinnen en schuurde met zijn kop, terwijl hij grote druppels van genot kwijlde, over het militaire groen van Tony's uniform. "Ik noem je Tijger" fluisterde Tony in de Cyperse zijn oor. De kat vond het allemaal goed. Na een dankbare lik over Tony's neus, keerden wij huiswaarts met de nieuw verworven huisgenoot.

Maar niet voordat ik de somma van fl. 102,50 achter had gelaten, voor de diverse gemaakte kosten van het asiel voor kat 85 Peter.Nu kwam de episode, hoe vertel ik het m'n man. Ik vertel niks, dacht ik. Ik zet de kat gewoon voor zijn neus en laat de bui over mij heen komen. En zo gebeurde het.

"Ik dacht dat je een witte kat wilde hebben?", reageerde hij verwonderd. "Ja, die komt er ook, over een paar maanden!"
"Wat!!! Twee katten????? Komt niets van in, dat is niet af gesproken".

"Nee" kaatste ik terug, "het was ook niet afgesproken dat je mijn slaapkamerkast als broedhok voor je duiven zou gaan gebruiken!!!! Dus als de kat er uit moet, dan ook jou broedsel." Ik wist dat de eieren elk ogenblik uit konden komen. Hier had hij niet van terug. Schouderophalend zei hij, "jij je zin." Wijselijk vertelde ik hem niet wat ik voor de kat had betaald, want dan zou het huis te klein zijn geweest. En zo kwam Tijger in huisje weltevreden terecht.

En Tijger dacht, "wie het laatst lacht…lacht het best!!"

 

Vriendjes

Nadat Tijger eindelijk bij ons was ingeburgerd en had geleerd om uit de buurt van mijn man te blijven, stond opnieuw zijn kattenleventje op z'n kop. Nu moest hij zijn plaats in het gezin gaan delen. Het onderwerp van zijn misnoegen, Speedy, burgerde zich al snel in en nadat hij door had, dat er niets van die grote lobbes was te vrezen, gooide hij het over een andere boeg.

Had dat grote kattenlijf misschien, net als zijn moeder, ook van die zuignappies waar je van die lekkere melk uit kon lurken? Speedy ging op onderzoek uit. Nu was Tijger wel een goedzak, maar dat hij nu als kattenpoes werd versleten, werd hem te gortig. Oké hij was dan wel gecastreerd, maar verder was alles nog mannelijk hoor! Toen Speedy, genoeglijk met zijn voorpootjes trappend tegen de mannenbuik van Tijger, naar voedsel op zoek was, werd ie met veel geblaas en een knal voor zijn kop, hardhandig tot de orde geroepen. Beduusd tegen zoveel geweld vloog Speedy een meter verder op. Maar zijn naam eer aan doende, zat hij geen tel later weer met zijn snuitje tegen de buik van Tijger te duwen. Tijger werd het zat en verdween uit de buurt van zijn opgedrongen pleegkind. Hoog op de verwarmingsketel, onbereikbaar voor Speedy keek hij met een stoïcijnse blik naar dat witte mormel, "haal het niet in je hoofd", scheen hij te zeggen.

Later werd er een compromis gesloten. Speedy mocht tegen de warme buik van Tijger liggen, maar zodra hij wilde tullen, sloeg Tijger er gelijk boven op. Hij wilde wel pleegvader zijn, maar geen pleegmoeder. Speedy nu ook gewend aan kattenbrokjes en vlees, verloor al gaandeweg zijn adoratie voor het moedermelken en had een ander slachtoffer gevonden, mijn man. Hoewel hij constant bars tegen de katten schreeuwde, "opgesodemieterd" en Tijger daar prompt op reageerde, liet Speedy zich niet uit het veld slaan. Doof voor alle verwensingen, bleef hij mijn man achterna lopen. Jaloers zag ik vanaf een afstandje de liefde die Speedy, om onverklaarbare redenen, ontwikkelde voor mijn stugge, kattenhatende man.
Urenlang kon hij vol adoratie omhoog kijkend aan zijn voeten zitten. Geduldig wachtte hij totdat hij op schoot werd getild. "Kijk dat nou toch zitten", zei mijn man dan, "alsof hij mij leuk vindt". "Dat vindt hij ook, ik begrijp alleen niet waarom, want van jou hoeft hij niets te verwachten". Na een paar weken kwam ik thuis, en betrapte mijn man, terwijl hij Speedy op zijn schoot had. "Vriendjes geworden?" vroeg ik. "Hij sprong opeens op mijn schoot" verontschuldigde hij zich. "Nou, dan gooi je hem er toch weer af". "Ach laat maar even", misschien heeft hij het koud". Ik liep de gang in, en gluurde door de kier van de deur naar het tafereel in de kamer. Nu onbespied, zag ik dat hij Speedy achter zijn oor krabbelde en hem aaide. Speedy klom langs zijn borst omhoog en legde zijn kopje in zijn nek. Zich heerlijk uitstrekkend over die brede mannenborst, sloot hij tevreden zijn oogjes, hij had zijn vaste plekje gevonden. Toen ik weer binnen kwam zei mijn man schaapachtig, "lief hè, ik denk dat hij mij aardig vind, hoe is het mogelijk hé?"
Ja hoe was het mogelijk, Speedy had met zijn ontwapenende maniertjes het harde duivenmelkers hart voor zich gewonnen en kon absoluut geen kwaad meer bij hem doen. Sterker nog hij adoreerde de kat, alsof hij hem zelf in huis had gehaald, de huichelaar.

Speedy groeide als kool en was dagelijks alles in het huis aan het verkennen.

Hè, wat is dit?!

Daar zit een opening in?!

Hé, ik kan er inkruipen!

Bij mijn man kon Speedy geen kwaad meer doen, het was zijn kat. Tijger bekeek het van een afstandje en vond het al lang best, als hij zijn rust maar had, en niet steeds werd lastig gevallen door dat kleine opdondertje.Tijger was ook helemaal niet jaloers, op de aandacht van mijn man voor Speedy. Hij nam genoegen met af en toe een aai over zijn kop, zelf gaf ie aan alles en iedereen zijn liefde weg, zelfs aan een stoel. Nee, Tijger was nu helemaal met de situatie verzoend en was dik tevreden!

Opvoeding

Tijger probeerde, als pleegvader, Speedy wat trucjes bij te brengen. Als je keurig netjes op de poef gaat zitten en heel lief je baasjes aankijkt, dan krijg je meestal wel wat lekkers. Of vragen, "heb je soms honger???" Speedy deed Tijger echt
in alles na. Natuurlijk kwam ook de dagelijkse wasbeurt aan de orde. En ook hierin volgde Speedy aandachtig de goede raadgevingen van die ouwe op. Goedmoedig liet Tijger zich de kleine plagerijtjes van Speedy welgevallen. Uiteindelijk bleef hij toch de baas.

Hoewel ik soms de indruk had dat ie meewarig zijn kattenkop schudde, over al die capriolen die Speedy uithaalde.
Terwijl Tijger rustig alles in ogenschouw nam, was Speedy vol energie alles in het huis aan het onderzoeken. Vooral de badkamer had zijn interesse. Terwijl Tijger niets vermoedend een dutje deed op de badkamerkast, haalde Speedy de was-mand ondersteboven.


Wordt vervolgd: met het verhaal "Broertje"

Anja Haasbeek, (Den Haag) Lelystad