Speedy, een circuskat


"Ach Anja", hield de overbuurvrouw mij, op de stoep voor ons huis staande, "wat zit die kat van jullie toch altijd prachtig voor het raam, het lijkt wel een porseleinen beeld". Haar omhoog wijzende hand volgend, zag ik Speedy voor het middelste raam zitten. Het was zijn vaste plekje. Als een koning zat hij in zijn spierwitte bontjas tussen de, toen in de mode zijnde, gedrapeerde vitrages en liet hij zich als een toneelspeler, na een open doekje, door de voorbijgangers bewonderen. "Ja", antwoordde ik glimlachend, "Het is heel wat anders dan een plant" vervolgde de buurvrouw. Ik beaamde dat en zei, "Ja vroeger heeft er wel een gestaan, maar nadat hij de plant tot vijf keer toe met zijn dikke achterwerk van de vensterbank af kieperde, heb ik hem maar weggehaald ". Natuurlijk was het een leuk gezicht om die witte kat als een standbeeld voor het raam te zien zitten.

We woonden in de Harderwijkstraat hoek Uddelstraat. Vanaf zijn plaats kon Speedy, uit de erker van ons huis op de 2de etage, de hele straat overzien.
Ik zag dat hij met een schuin kopje naar ons keek en wist dat hij nu twijfelde of ik het wel was. Katten kunnen je namelijk niet van afstand herkennen en reageren meer op geluid en geuren. Zo ook Speedy. Want waar hij zich ook in huis bevond, hij herkende op een prik het geluid van onze auto. Vervolgens snelde hij dan naar de vensterbank en keek gespannen naar beneden, wachtend op het signaal. Dat bestond uit het even laten rinkelen van de sleutelbos. Daarop vloog hij naar de gang en wachtte je boven aan de trap op. Zodra je schouder op gelijke hoogte was van de bovenste tree, sprong hij er als een circuskat op. Na een traktatie van hem, middels een ferme kopstoot, liet hij zich nog steeds op je schouder zittend, meevoeren naar de keuken. Bij de keukentafel moest je na voren buigen, zodat hij via de tafel er af kon springen, waarna hij een duik naar je benen nam en de begroeting met lieflijke strijkages voortzette. Als hij dan tussen mijn benen doorliep verloor ik vaak mijn evenwicht. Na deze ceremonie liep hij naar zijn etensbak. Met een blik van: "Door hier wat in te doen, kan je mijn onvrijwillige achterlating goed maken", was het ritueel ten einde.

Jammer genoeg deed hij dat niet alleen bij ons, maar ook bij elke bezoeker. Zodra hij de deurbel hoorde zat hij al boven aan de trap. Met een sprong op de schouder van het slachtoffer, die niets vermoedend de trap op kwam, heb ik vaak hele taferelen mee gemaakt. Zelf heb ik, met mijn handen vol met boodschappentassen, hachelijke momenten op de trap doorstaan, als Speedy zijn acrobatische begroeting uitvoerde.

Gelukkig haalde de oude stramme Tijger deze capriolen niet uit. Pas als de begroeting van Speedy was beëindigd kwam Tijger, die afwachtend op zijn vaste plekje op de poef de voorstelling had gevolgd naderbij, om samen met Speedy te wachten wat voor lekkers er in hun etensbakje terechtkwam. "Let op" zei ik tegen mijn buurtje, "ik laat even horen
dat ik het ben".
Ik rammelde met mijn sleutelbos.

Als een speer vloog Speedy weg van het raam. Lachend vertelde ik de buurvrouw welk ritueel mij nu te wachten stond.

Speedy haalde ook de gevaarlijkste toeren uit bij het raam. Denk nu niet dat hij van zijn hachelijke avontuur, toen hij via een schuimrubberen matras van tweehoog werd gelanceerd naar lagere regionen, wat had geleerd. Nee, voor zijn onver- wachte uitspattingen moest ik dagelijks alert zijn. Zoals gezegd, Speedy zat graag voor het raam. Uren kon hij nieuwsgierig alles in zich op te nemen wat zich daar- buiten af speelde. Speedy en Tijger waren geen buitenkatten. De Harderwijkstraat was namelijk een vrij drukke straat, dus veel te gevaarlijk. Via een kattenluikje konden ze onbekommerd buiten komen op het balkon. Omdat het balkon de hele breedte van ons huis besloeg, was er buitenlucht genoeg. Als in de zomer het middelste raam van de erker werd opengeschoven stond er, tegen de muggen en Speedy, een rooster onder. Speedy probeerde steeds om via het raam naar buiten te klimmen. Na diversen pogingen lukte het hem dat uiteindelijk in hartje winter. Het was in Januari half jaren tachtig. Een dik pak sneeuw bedekte de straten. Op zijn vaste plekje voor het raam was Speedy al uren vergeefs bezig om de sneeuwvlokjes, die zich tegen het raam hadden genesteld, te vangen.

Door de sporen van zijn kattenpoten zag het raam er na verloop van tijd niet meer uit. Mopperen tegen hem hielp niet. Met zijn vertederende snoet keek hij me aan met een blik van "waar heb je het over". Waardoor ik het maar weer op gaf. Toen mijn man 's avonds thuis kwam, stelde ik voor om de open haard aan te doen. "Gezellig met die besneeuwde straten buiten," zei ik.

In het licht van de lantarens was er inmiddels een Anton Pieckachtige, witte sprookjeswereld te zien. En daar hoorde, vond ik, een ouderwets knappend haardvuur bij. "Ja!" juichte zoon Tony, "gezellig!". Zo gezegd zo gedaan. Even later stak manlief de houtblokken aan. Maar in plaats van een warme gloed van een knisperend haardvuur, kwamen er zwarte rookwolken de kamer binnen. Paniek in de tent. Op de een of andere manier stond de schuif niet goed. Niks geen Anton Pieck plaatje, van sprookjesachtige huisjes met besneeuwde daken, waarvan uit de schoorstenen rook omhoog dwarrelde. De rook dwarrelde binnenshuis. De huiskamer leek meer op een "A foggy day in London Town". Tastend tussen de rookwolken door vloog ik hoestend naar het raam. Met een ruk schoof ik het klemmende raam met moeite omhoog. Een koude luchtstoom en binnenzeilende sneeuwvlokken bevestigden dat het openen was gelukt. De rookwolken die nu uit het geopende raam een weg naar de vrijheid zochten, riepen kreten van voorbijgangers op. "Hebben jullie brand, moet ik de brandweer bellen"? "Nee hoor alles onder controle", schreeuwden we terug. "We hebben de open haard aangestoken,maar er is iets mis gegaan".

Door ook aan de achterzijde de balkondeur open te zetten, was ons huis in een ijskelder veranderd. Getooid in jassen en dassen zaten Tony en ik naar het gestuntel van manlief te kijken, om de schuif open te krijgen. Na veel gemorrel en krachttermen, aan het adres van diegene die op het idee was gekomen om de haard aan te steken, lukte dat eindelijk. Nadat de rook was verdwenen en het raam weer gesloten, zaten we met de verwarming op de hoogste stand weer bij te komen van alle emoties. Met een door mijn panische gegil veroorzaakte schorre stem en de rook nog op mijn stembanden vroeg ik, "iemand trek in een "glühwwein"? Tony sprong opgewonden vanuit zijn stoel omhoog. Dat bleek niet zozeer voor mijn aanbod te zijn.

Met een uitgestrekte vinger wees hij naar het raam achter mij. "Kijk dan mam". Gezeten op de bank voor het raam draaide ik voorzichtig mijn hoofd om. Vanaf de buitenkant van het raam, keek Speedy mij aan. Hij had de kans waargenomen en was door het opengeschoven raam naar buiten gegaan en via de smalle vensterbank naar het linker zijraam gelopen. Verder kon hij niet. Daar hield de vensterbank op en was er alleen nog maar een loodrechte muur. De beide zijramen konden niet open. In paniek gilde ik nu met overslaande stem: "Hij valt zich te pletter!". "Wel nee, die komt wel op zijn pootjes terecht" zei mijn eega gerust- stellend. "Oh ja, van twee hoog?" "Hij kan toch dezelfde weg terug". "Hoe moet hij dat dan doen, achteruitlopend zeker". De vensterbank was aan de buitenzijde heel smal en tevens glad van de sneeuw. Plotseling zag ik een flits. Tony had van onze geveltoerist snel een foto gemaakt.

"Hoe kan je dat nu doen?!, schreeuwde ik boos, "als hij schrikt ligt hij zeker beneden". Vol belangstelling, zonder een greintje angst, volgde Speedy vanaf zijn buitenverblijf onze schermutselingen. Snel schoof ik het raam open. "Kom dan Speedy," probeerde ik hem vleiend te lokken. Maar mijn schorre stemgeluid had een averechts effect. Met grote bange ogen keek hij mij aan. "Laat mij maar even," zei manlief. Maar ook met zijn troetelwoordjes was Speedy niet van zijn plaats te krijgen. "Kom maar Speedy, snoepjes", zei Tony en rammelde met het blikje waar de gistsnoepjes van de katten in werden bewaard. Dit had effect. Voorzichtig als een koorddanser liep Speedy langzaam achteruit. Opeens gleed zijn achterpoot weg. Een gil ontsnapte aan mijn keel. Speedy schrok, herstelde zich en liep weer terug naar voren. Daar zat hij weer op het einde van de vensterbank, een beetje paniekerig nu. Schichtig keek hij om zich heen. De wind woei met kracht zijn haren omhoog en sneeuwvlokjes nestelde zich op zijn kop.

Tony rammelde nogmaals met het snoepblik. Speedy probeerde het nu op een andere manier. Zijn voor en achterpoten tegen elkaar zettend, draaide hij zich als een jongleur op een grote bal, met kleine pasjes om. Met kloppend hart bekeek ik zijn verrichtingen. Heen en weer wiegelend, soms bijna zijn evenwicht verliezend, draaide hij zich stapje voor stapje om, op het eind van de vensterbank. Eenmaal omgekeerd snelde hij met een vaart de hoek om naar het middelste raam en vloog naar binnen. Met een paar snelle likken ontdeed hij zich van de natte sneeuw en richtte zijn aandacht op Tony en het snoepblikje. Opgelucht sloot ik het raam. De circusvoorstelling was ten einde.

Even later zaten we met een glas warme wijn en de katten opgerold aan onze voeten, rond de open haard. Het witte tapijt buiten dempte de straatgeluiden, die met flarden binnenkwamen. Anton Pieck kon tevreden zijn.