|
|
|||||||
|
Speedy, een circuskat
We woonden in de Harderwijkstraat hoek Uddelstraat. Vanaf zijn plaats
kon Speedy, uit de erker van ons huis op de 2de etage, de hele straat
overzien. Jammer genoeg deed hij dat niet alleen bij ons, maar ook bij elke bezoeker. Zodra hij de deurbel hoorde zat hij al boven aan de trap. Met een sprong op de schouder van het slachtoffer, die niets vermoedend de trap op kwam, heb ik vaak hele taferelen mee gemaakt. Zelf heb ik, met mijn handen vol met boodschappentassen, hachelijke momenten op de trap doorstaan, als Speedy zijn acrobatische begroeting uitvoerde.
Als een speer vloog Speedy weg van het raam. Lachend vertelde ik de buurvrouw welk ritueel mij nu te wachten stond. Speedy haalde ook de gevaarlijkste toeren uit bij het raam. Denk nu niet
dat hij van zijn hachelijke avontuur, toen hij via een schuimrubberen
matras van tweehoog werd gelanceerd naar lagere regionen, wat had geleerd.
Nee, voor zijn onver- wachte uitspattingen moest ik dagelijks alert zijn.
Zoals gezegd, Speedy zat graag voor het raam. Uren kon hij nieuwsgierig
alles in zich op te nemen wat zich daar- buiten af speelde. Speedy en
Tijger waren geen buitenkatten. De Harderwijkstraat was namelijk een vrij
drukke straat, dus veel te gevaarlijk. Via een kattenluikje konden ze
onbekommerd buiten komen op het balkon. Omdat het balkon de hele breedte
van ons huis besloeg, was er buitenlucht genoeg. Als in de zomer het middelste
raam van de erker werd opengeschoven stond er, tegen de muggen en Speedy,
een rooster onder. Speedy probeerde steeds om via het raam naar buiten
te klimmen. Na diversen pogingen lukte het hem dat uiteindelijk in hartje
winter. Het was in Januari half jaren tachtig. Een dik pak sneeuw bedekte
de straten. Op zijn vaste plekje voor het raam was Speedy al uren vergeefs
bezig om de sneeuwvlokjes, die zich tegen het raam hadden genesteld, te
vangen.
In het licht van de lantarens was er inmiddels een Anton Pieckachtige, witte sprookjeswereld te zien. En daar hoorde, vond ik, een ouderwets knappend haardvuur bij. "Ja!" juichte zoon Tony, "gezellig!". Zo gezegd zo gedaan. Even later stak manlief de houtblokken aan. Maar in plaats van een warme gloed van een knisperend haardvuur, kwamen er zwarte rookwolken de kamer binnen. Paniek in de tent. Op de een of andere manier stond de schuif niet goed. Niks geen Anton Pieck plaatje, van sprookjesachtige huisjes met besneeuwde daken, waarvan uit de schoorstenen rook omhoog dwarrelde. De rook dwarrelde binnenshuis. De huiskamer leek meer op een "A foggy day in London Town". Tastend tussen de rookwolken door vloog ik hoestend naar het raam. Met een ruk schoof ik het klemmende raam met moeite omhoog. Een koude luchtstoom en binnenzeilende sneeuwvlokken bevestigden dat het openen was gelukt. De rookwolken die nu uit het geopende raam een weg naar de vrijheid zochten, riepen kreten van voorbijgangers op. "Hebben jullie brand, moet ik de brandweer bellen"? "Nee hoor alles onder controle", schreeuwden we terug. "We hebben de open haard aangestoken,maar er is iets mis gegaan". Door ook aan de achterzijde de balkondeur open te zetten, was ons huis in een ijskelder veranderd. Getooid in jassen en dassen zaten Tony en ik naar het gestuntel van manlief te kijken, om de schuif open te krijgen. Na veel gemorrel en krachttermen, aan het adres van diegene die op het idee was gekomen om de haard aan te steken, lukte dat eindelijk. Nadat de rook was verdwenen en het raam weer gesloten, zaten we met de verwarming op de hoogste stand weer bij te komen van alle emoties. Met een door mijn panische gegil veroorzaakte schorre stem en de rook nog op mijn stembanden vroeg ik, "iemand trek in een "glühwwein"? Tony sprong opgewonden vanuit zijn stoel omhoog. Dat bleek niet zozeer voor mijn aanbod te zijn.
"Hoe kan je dat nu doen?!, schreeuwde ik boos, "als hij schrikt ligt hij zeker beneden". Vol belangstelling, zonder een greintje angst, volgde Speedy vanaf zijn buitenverblijf onze schermutselingen. Snel schoof ik het raam open. "Kom dan Speedy," probeerde ik hem vleiend te lokken. Maar mijn schorre stemgeluid had een averechts effect. Met grote bange ogen keek hij mij aan. "Laat mij maar even," zei manlief. Maar ook met zijn troetelwoordjes was Speedy niet van zijn plaats te krijgen. "Kom maar Speedy, snoepjes", zei Tony en rammelde met het blikje waar de gistsnoepjes van de katten in werden bewaard. Dit had effect. Voorzichtig als een koorddanser liep Speedy langzaam achteruit. Opeens gleed zijn achterpoot weg. Een gil ontsnapte aan mijn keel. Speedy schrok, herstelde zich en liep weer terug naar voren. Daar zat hij weer op het einde van de vensterbank, een beetje paniekerig nu. Schichtig keek hij om zich heen. De wind woei met kracht zijn haren omhoog en sneeuwvlokjes nestelde zich op zijn kop. Tony rammelde nogmaals met het snoepblik. Speedy probeerde het nu op
een andere manier. Zijn voor en achterpoten tegen elkaar zettend, draaide
hij zich als een jongleur op een grote bal, met kleine pasjes om. Met
kloppend hart bekeek ik zijn verrichtingen. Heen en weer wiegelend, soms
bijna zijn evenwicht verliezend, draaide hij zich stapje voor stapje om,
op het eind van de vensterbank. Eenmaal omgekeerd snelde hij met een vaart
de hoek om naar het middelste raam en vloog naar binnen. Met een paar
snelle likken ontdeed hij zich van de natte sneeuw en richtte zijn aandacht
op Tony en het snoepblikje. Opgelucht sloot ik het raam. De circusvoorstelling
was ten einde. Even later zaten we met een glas warme wijn en de katten opgerold aan onze voeten, rond de open haard. Het witte tapijt buiten dempte de straatgeluiden, die met flarden binnenkwamen. Anton Pieck kon tevreden zijn.
|