|
| |||
|
Speelbal van jong gestoorden. Op een mooie zaterdagmorgen liep ik op mijn gemakje naar het winkelcentrum, hier vlakbij, om nog wat kleine boodschapjes te halen. Het leek een leuke dag te gaan worden, de zon scheen en ik was in een vrolijke stemming. Aan het einde van de straat zag ik een paar kinderen spelen, maar op die afstand kon ik niet precies zien, waar ze zich mee vermaakten. Ze raapten telkens iets op, gooiden het in de struiken, raapten het weer op en herhaalden dat een aantal malen. Ik liep op mijn dooie akkertje, niets 'slechts' vermoedend, in hun richting. Totdat ik op een tiental meters van ze vandaan was. Duidelijk voor mijn ogen kon ik nu zien waar ze mee aan het gooien waren. Mijn hart sloeg over, want het was met een jong katje. Woedend begon ik te rennen. De jongens staakten hun verderfelijke spelletje en liepen een aantal meters verderop. Daar bleven ze op een afstandje staan kijken naar wat er ging gebeuren. Ik dook met mijn kop in de struiken en zag het kleine zwart-witte kattenkind met rollende oogjes liggen. Hij was amper een week of acht oud. Zoveel geweld had hem totaal overdonderd. Ik raapte hem op en aaide hem zachtjes om hem te kalmeren. "Kom maar lieverd, het is al goed zo, rustig maar, ik ben het", sprak ik hem zachtjes toe. Ik wendde mijn blik naar de jongens die me lachend op een afstandje aan stonden te gapen. "Stelletje smerige, vieze, vuile klere ellendelingen dat jullie er zijn", bulderde ik luidkeels over de straat. "Kom eens in mijn buurt dan zal ik jullie hier eens die struiken in flikkeren", vervolgde ik mijn tirade. "Durven jullie G *** wel tegen zo'n klein diertje, stelletje lafaards", vloog er vervolgens uit mijn mond. Wat ik er verder nog uitgooide is hier echt niet voor herhaling vatbaar, geloof me maar. Woedend was ik en als ik er eentje van te pakken had kunnen krijgen, zou ik dat ook absoluut hebben gedaan. Maar ze bleven na die dreigende woorden wel een eind uit mijn buurt. "Waar bemoei jij je mee", durfde er eentje toch nog te roepen. "Ik zal mijn vader er wel eens bij gaan halen." "Je vader", brieste ik, "ja dat moet je vooral doen, "dan frommel ik die hier ook effe vakkundig het plantsoentje in, alleen al omdat hij zo'n stuk ongeluk als jij op de wereld heeft gezet." In mijn woede zou dat geen enkel probleem voor me zijn geweest. Ten eerste ben ik nooit bepaald bang uitgevallen geweest en ten tweede had ik een aantal jaartjes karate aan mijn persoonlijke vorming toegevoegd. En mocht die vader onverhoopt toch een enorme reus van drie meter zijn geweest, dan nog heeft hij ook, net als wij allemaal, een scheenbeen. Een welgemikte, professionele trap ertegen, laat een ieder naar beneden zinken. Dat is op zo'n moment voldoende om 'het werk' daarna verder te voltooien. Zo ver kwam het niet, de jongens dropen na het kabaal dat ik veroorzaakte snel af. Vooral ook omdat er meer mensen op mijn verbale geweld afkwamen. Ik heb nog een tijdje na staan 'grommen' tegen de medestanders, die inmiddels om me heen stonden. Woorden als: "Wat is de jeugd toch rot soms en wat is de mentaliteit toch veranderd", waren de basis van de discussie. Ondertussen stond ik daar dan met mijn 'kleine pakketje kat', die al wat warmer aanvoelde in mijn van woede nog natrillende handen. Ik besloot de 'plaatselijke plantsoenvergadering' te verlaten om terug naar huis te lopen. Die boodschappen konden straks ook nog wel. Eenmaal thuis gaf ik de ontredderde vondeling eerst maar eens iets te drinken en te eten. Hij was ondertussen eigenlijk best kalm na zijn vreselijke ervaring. Voorzichtig begon ik het zand, dat overal tussen zijn haartjes en pootjes zat, weg te borstelen. Al doende stuitte ik plotseling op iets diks op zijn buikje. Toen ik er goed aan voelde besefte ik dat hij een breukje had en niet zo'n kleintje ook. Mijn eigen dierenarts had toevallig die zaterdag zijn weekend dienst, dus staakte ik mijn borstelbeurt, deed het 'pakketje kat' met een lekkere warme handdoek in het vervoersmandje en reed naar zijn praktijk. Hij constateerde inderdaad een breuk, vermoedelijk ontstaan door het gooi en smijtwerk van "die gestoorde schatjes."
Slachtofferhulp was aan dit grappige diertje echt niet besteed, want binnen de kortste keren hing hij in de overgordijnen. Daar was ik blij om, want vaak blijven deze katjes de rest van hun leventje wat schuwer en schrikachtiger dan hun doorsnee soortgenootjes, die dit soort ellende niet hoefden te doorstaan. Hij ontpopte zich tot een dondersteen met een hoogwaardige intelligentie. Als het om openmaken van deuren, laden en kasten ging zou een meesterinbreker jaloers op hem kunnen zijn. Alles moest eraan geloven. Hij ontdekte dat, als hij een lade van kast naar boven had getrokken, er daar achter dan een holte ontstond waar hij zich lekker kon verstoppen. Zich daarin wringen ging uitstekend, maar er weer uit komen was een probleem. Daarvoor moest je dan telkens de hele lade met de nodige troep die ieder mens nou eenmaal wil bewaren, eruit halen. Hij was nog niet bevrijd of hij zat alweer achter een andere lade. De tussendeuren van ons huis werden voortdurend opengemaakt, of het nou de gangdeur, de keukendeur of zelfs de slaapkamerdeur was, het was geen enkel probleem voor deze Houdini in de dop. Dus moesten alle deurklinken omhoog worden gezet. Hij kroop in de keukenkasten, de linnenkast, zelfs in de wasdroger .. knetter werden we van hem. Gelukkig hadden we geen afwasmachine, jemig wat een mazzel. Zijn breukje herstelde prima. Dus alles kwam toch nog goed. Dikwijls heb ik me afgevraagd of, als ik die ochtend nu niet naar het winkelcentrum was gegaan, iemand anders hem dan zou hebben gered. Misschien wel .. of misschien zou niemand het hebben opgemerkt en was hij na het vele op de grond smakken, uiteindelijk dood in de struiken blijven liggen. Het soort kinderen, dat zo extreem vals met dieren om gaat, heeft dringend hulp nodig, voor hun abnormale gedrag. "Een dier in nood willen redden", is een eigenschap die bij de meeste kinderen gelukkig wel aanwezig is. Ik kan het weten want ik was ook ooit een kind
|