Uit de sloot ontsnapt.

In de buurt stonden wij bekend als algemene dierenopvang. Met grote regelmaat werden er dan ook dieren bij ons gebracht. Zo ook een klein zielig, rood, nat
hoopje kat. Kinderen hadden het van de verdrinkingsdood gered, maar mochten het van hun ouders niet houden. Dus werd het mij aangeboden. Mijn hart smolt bij het zien van dit kleine, tere wezentje. Nog niet eens de oogjes geheel open. Hoe kan iemand zo wreed zijn?! Bleek een boer te zijn geweest, die zich van een jong nestje katten had ontdaan. Natuurlijk bleek die, letterlijk en figuurlijke boer, niet meer te achterhalen. "Op één na waren alle broertjes en zusjes al verdronken," zeiden de kinderen mij hevig ontdaan. "Die hebben wij langs de kant van de sloot begraven." Maar deze schavuit had zichzelf op tijd kunnen bevrijden.

"Tja, aan de grote van het beestje te zien, moest er speciale melk voor hem
worden aangeschaft, anders zou hij het niet redden,"
begreep ik al snel. Dus op naar de speciaalzaak voor de melk, verder een pipet en een poppenzuigflesje. "Want, dat het in leven houden van dit rooie bolletje niet eenvoudig zou zijn", was mij wel duidelijk. Het poesje droeg ik thuis zoveel mogelijk tegen me aan, om het warm te houden. Dit deed ik door mijn voedings-bh weer aan te trekken. Tja, je moet toch wat?! Ik had een druk gezin, met drie jonge kinderen en het werk ging door. Dan elke twee uur tijd vrij maken, pogen melk bij 'm naar binnen te krijgen, om daarna met een vochtig watje zijn buikje te masseren. Onderwijl gadegeslagen door de kinderen, die me om beurten hielpen met dit klusje.

Inmiddels liet ik het kleintje ook kennis maken met de andere huisdieren. Een hond, Friese Stabij, die het hummeltje besnuffelde en het een dikke lik gaf. Ons huiskonijn, die het ook heel interessant vond. Die bleef maar komen kijken en bleek ineens een grote hulp voor me te worden. Het konijntje ontpopte zich als een moeder voor dit katje, waste het en hield het op een gegeven moment warm in zijn hok. Ze werden maatjes voor het leven. Ook hadden we al twee katten. Een witte kater, die met mijn oudste zoon aan was komen lopen en niet meer weg ging. Maar die moest niks van dit rode bolletje wol hebben. Hij blies ernaar en maakte dat hij weg kwam, om zich niet meer in de buurt te laten zien.

Een Cyperse kater woonde maar af en toe bij ons. Hij ging graag op pad en kwam af en toe zijn buik weer vol eten, om op krachten komen. Ook deze kat maakte dat hij weg kwam. Verder hadden we nog wat aquaria en terraria. Boven hadden we nog een volière met vogels en niet te vergeten, een broed- machine. Maar op die afdeling mocht hij niet komen. Ik spreek wel over "hij", maar het was ons toen nog niet bekend, wàt het was. Maar ja, het was nu eenmaal rood, dus zal het wel een kater zijn. Wat later duidelijk een vooroordeel bleek te zijn. Maar daarover later meer. Door alle goede zorg groeide hij snel op tot een speelse kitten.

Vooral mijn planten moesten het ontgelden. De hond vond alles goed en als het te gek werd, kwam hij hulp bij mij halen. Rover, de witte kater, keek van een hoge standplaats de kapriolen aan, maar zorgde wel zelf buiten schot te blijven. En de Cyperse kater, die we Puk hadden genoemd maar waar hij nooit naar luisterde, gaf 'm af en toe op z'n kop, als ie het te bond maakte. Nou ja, in de ogen van Puk dan.

Door z'n gedrag wisten we ook hoe we 'm gingen noemen. De naam Tijgertje, uit Winnie de Poe, vonden we erg bij hem passen. Tijgertje stuiterde letterlijk en figuurlijk door ons leven. Toch had hij ook rustige en vertederende uurtjes, als ie op schoot lag te spinnen, om bij te komen van al z'n kattenkwaad.

Wordt vervolgd

Danny